Maand: december 2016

Boek II Hoofdstuk 2 Over nederige onderwerping

Acht niet veel wie voor u of tegen u is; maar maak met zorg dat God met u zij in alles wat gij doet. Bewaar een goed geweten, en God zal u wel verdedigen. Want die God helpen wil, die kan niemands boosaardigheid hinderen. Indien gij kunt lijden en zwijgen, zo zult gij zonder twijfel de hulp van God gewaar worden. Hij kent de tijd en de wijze om u te verlossen; daarom moet gij u op Hem verlaten. Het is Gods werk hulp te bieden, en van alle beschaamdheid te bevrijden. Het is dikwijls zeer dienstig, om onze ootmoed te vermeerderen, dat andere mensen onze gebreken kennen en berispen.

Als de mens zich verootmoedigt om zijn gebreken, dan stelt hij anderen gemakkelijk tevreden, en hij verzoent zich licht met wie op hem vergramd waren. God bewaart en verlost altijd de ootmoedige; Hij bemint en vertroost de ootmoedige; Hij neige zich tot de ootmoedige; aan de ootmoedige geeft Hij grote genade, en na zijn verdrukking verheft Hij hem tot de glorie. Aan de ootmoedige openbaart Hij zijn geheimen, en trekt en lokt hem minzaam. Een ootmoedig mens bewaart de vrede, als hem enige beschaming wordt aangedaan, want hij steunt op God, en niet op de wereld.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek II Hoofdstuk 1 Over het inwendig gesprek met God

Het rijk Gods in binnen u (1), zegt de Heer. Bekeer u uit geheel uw hart tot God, en laat deze ellendige wereld varen, en uw ziel zal rust vinden. Leer het uitwendige versmaden, en u op het inwendige begeven; en gij zult het rijk Gods in u zien komen. Want het rijk Gods is vrede en blijdschap in de Heilige geest (2), en dat wordt aan goddelozen niet gegeven. Christus zal tot u komen, en u zijn troost openbaren, indien gij Hem een waardige woonstede in uw binnenste bereidt. Al zijn glorie en schoonheid is inwendig (3), en in het binnenste heeft Hij zijn behagen. Een inwendige mens bezoekt Hij dikwijls; Hij spreekt hem liefelijk aan, Hij troost hem minnelijk, Hij geeft hem overvloedige vrede, en Hij houdt een gemeenzaamheid die alle verbazing wekt.

Moed dan, getrouwe ziel, bereid uw hart voor die Bruidegom, opdat Hij zich gewaardige tot u te komen en in u te wonen. Want Hij spreekt aldus: Indien iemand Mij liefheeft, hij zal mijn woorden onderhouden, en Wij zullen tot hem naderen, en bij hem ons verblijf vestigen (4). Maak dan in uw hart plaats voor Christus, en sluit alle andere dingen buiten. Als gij Christus bezit, dan zult gij rijk zijn; Hij alleen zal u genoeg wezen. Hij zal u van alles voorzien, en getrouw uw belangen behartigen zodat gij niet nodig hebt op mensen uw hoop te stellen. Want de mensen veranderen licht, en feilen eensklaps: maar Christus blijft in eeuwigheid (5), en Hij helpt ons standvastig tot het einde toe.

Daar is niet veel staat te maken op een broos en sterfelijk mens, al moge hij u veel goed doen en uw vriend zijn. Ook moogt gij u niet zeer bedroeven als hij somtijds u wederstreeft en tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u opstaan, en omgekeerd, want zij draaien gelijk de wind. Stel gans uw betrouwen op God, en dat Hij alleen uw vrees en uw liefde zij. Hij zal voor u optreden, en zal alles ten beste schikken. Gij hebt hier geen blijvende woonstede (6): waar gij zijt, zijt gij een pelgrim en een vreemdeling, en gij zult geen rust smaken, tenzij gij innig met Christus verenigd zijt.

Wat wilt gij hier rondzoeken, aangezien het hier de plaats van uw rust niet is? In de hemel moet uw woning zijn, en als in t voorbijgaan, moet gij al het aardse beschouwen. Alles gaat voorbij, en gij daarmede desgelijks. Zie toe dat gij u daaraan niet hecht; om niet gevangen te zijn en verloren te gaan. Uw gedachten zullen bij de Allerhoogste zijn (7), en uw gebed moet zonder ophouden tot Jezus Christus opklimmen. Indien het hemelse te verheven is voor uw gedachten, berust dan in het lijden van Christus, en woont gaarne in zijn heilige wonden. Want zo gij met liefde uw toevlucht neemt tot de wonden en dierbare wondtekenen van Jezus, zo zult gij een grote versterking in het lijden gevoelen; gij zult u weinig bekommeren om de verachting der mensen en al hun lasterwoorden licht verdragen.

Christus ook werd op de wereld door de mensen versmaad, en in zijn grootste nood hebben zijn vrienden en bekenden Hem in de schande gelaten. Christus heeft willen lijden en misacht worden en gij durft over iets te klagen! Christus heeft vijanden en kwaadsprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben? Waarvoor zal uw geduld dan gekroond worden, indien u geen tegenspoed overkomt? Indien gij geen tegenkanting wilt lijden, hoe zult gij dan de vriend van Christus zijn?

Lijd met Christus en om Christus, indien gij met Christus wilt heersen.

Indien gij eens volkomen in Jezus binnenste waart doorgedrongen, en een weinig van zijn brandende liefde gesmaakt hadt, dan zoudt gij u om eigen gemak of ongemak weinig bekreunen, maar gij zoudt u eerder verblijden als gij versmaad wordt, want de liefde van Jezus leert de mens zichzelf versmaden. Hij, die Jezus en de waarheid bemint, die oprecht het inwendige leven beoefent en vrij is van alle ongeregelde neigingen, mag zich met vrijheid des harten tot God keren, in de geest zich verheffen boven zichzelf, en in genieting rusten.

Hij, die alles acht zoals het werkelijk is, en niet zoals het door de mensen geacht wordt, is waarlijk wijs, en meer onderricht door God dan door de mensen. Wie in zijn binnenste weet te leven, en van de uitwendige dingen weinig werk maakt, die zoekt naar geen plaats of wacht naar geen bepaalde tijden om zijn godsvrucht te oefenen. Een inwendig mens keert spoedig tot zichzelf terug; omdat hij zich nooit geheel uitstort naar buiten. De uitwendige arbeid of bezigheid, die soms nodig is, hindert hem niet; maar gelijk de dingen voorvallen, schikt hij zich daarnaar. Wie van binnen wel gesteld is en geregeld, bekommert zich niet om zonderlinge of ergerlijke daden van mensen. De mens wordt zoveel belemmerd en verstrooid, als hij zich de uitwendige dingen aantrekt.

Indien gij van binnen wel en gans gezuiverd waart, zou alles u ten goede strekken, en u tot voordeel dienen. Daarom mishagen en storen u dikwijls vele dingen, omdat gij aan uzelf niet wel afgestorven zijt, en niet geheel onthecht aan het aardse. Niets besmet en belemmert zozeer het hart van de mens, als ongeregelde liefde tot de schepselen. Indien gij de uitwendige troost niet zoekt, zo zult gij het hemelse kunnen beschouwen en dikwijls de inwendige blijdschap gevoelen.

1) Luc. 17: 21 2) Rom. 14: 17 3) Ps. 44: 14 4) Joann. 14: 23 5) Joann. 12: 34 6) Hebr. 13: 14 7) Wijsh. 5: 16

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Quantummoraalleer, een analogie tussen kerkleer en mechanica

De debatten over de fameuze voetnoot in Amoris Laetitiae, met de dubia van de kardinalen als meest sprekende uiting, tonen aan dat er verschillende opinies bestaan over de verhouding tussen moraal en de sacramenten. Een nederige poging om die verschillen te belichten wil ik wagen vanuit een vergelijking met enkele wetenschappelijke disciplines uit de mechanica, meerbepaald de statica, de dynamica en de quantummechanica.

Read More

Boek I Hoofdstuk 25 Over de ijverige verbetering van ons leven

 

Waak en wees naarstig in de dienst van God, en denk dikwijls: waarom zijt gij hier gekomen en hebt gij de wereld verlaten? Is het niet om voor God te leven en een geestelijk mens te worden? Wees dus vurig om vooruitgang te doen, want gij zult haast het loon van uw arbeid ontvangen: en dan zal er noch vrees, noch droefheid in uw uiterste meer zijn. Gij zult nu een weinig arbeiden, en daarvoor zult gij een grote rust, ja een eeuwige vreugde genieten (1). Indien gij getrouw en naarstig in het goed blijft, zal God ongetwijfeld getrouw en overvloedig zijn in u te lonen. Gij moet altijd hopen en vast betrouwen, dat gij de zegepalm zult bekomen; maar gij moogt u niet voor verzekerd houden, ten einde niet lauw en uitgelaten te worden.

Zeker persoon, die dikwijls tussen vrees en hoop dobberde, was eens, door weemoed overwonnen, naar de kerk gegaan. Daar knielde hij voor een altaar om te bidden, en herhaalde bij zichzelf deze woorden: Ach, zo ik wist dat ik zou volharden tot het einde toe! En terstond hoorde hij inwendig dit antwoord van God: Ware het dat gij dit wist, wat zoudt gij willen doen? Doe nu wat gij dan zoudt doen, en gij zult ten volle gerust zijn. En terstond getroost en gesterkt, gaf hij zich geheel over aan de wil van God, en de angstige twijfel hield op. Hij was daarna niet meer nieuwsgierig om te onderzoeken wat hem zou overkomen; maar hij legde zich meer toe om de wil van God te kennen en wat het volmaaktste was in zijn ogen (2), om alle goed werk wel te beginnen en te voltrekken.

Hoop in de Heer en doe het goed, zegt de Profeet, en gij zult de aarde in vrede bewonen en gevoed worden met haar rijkdommen (3). Iets wat vele mensen wederhoudt om vooruitgang te doen, en zich volijverig te beteren, is de vrees voor de inspanning of de moeite van de strijd. Inderdaad, zij gaan het meest vooruit in de deugd, die kloekmoediger trachten te overwinnen wat hun het tegenstrijdigste valt en het zwaarste. Want daarin maakt de mens grote vorderingen en verdient meerdere genade bij God, waarin hij zichzelf meer overwint en zijn geest versterft.

Maar alle mensen hebben niet evenveel te overwinnen en te versterven. Niettemin zal iemand, die oprecht ijverig is, meer toenemen in deugden, al hadde hij meer driften, dan een ander die meer geregeld leeft maar niet zo vurig is voor de deugd. Twee dingen helpen bijzonder voor gedurige beterschap, te weten: zich met geweld onttrekken aan iets waartoe de natuur verkeerd genegen is; en vlijtig die deugd betrachten, die wij allermeest nodig hebben. Zorg ook die dingen bijzonder te vermijden en te overwinnen, die u in anderen meest mishagen.

Behartig vooral de vooruitgang; wanneer gij goede voorbeelden ziet of hoort, wees daartoe opgewekt om die na te volgen. Maar indien gij iets berispelijks opmerkt, wacht u dat gij hetzelfde bedrijft, of hebt gij het ooit gedaan, tracht u terstond daarin te verbeteren. Gelijk uw oog op anderen in acht neemt, zo nemen ook anderen acht op u. O hoe vertroostend en hoe zoet is het ijverige en godvruchtige broeders te zien, vurige getrouwe onderhouders van hun regel. Maar hoe droevig en pijnlijk valt het, zulken te zien, die ongeregeld leven, en die de taak niet uitvoeren waartoe zij geroepen zijn? O hoe nadelig is het de plichten van zijn roep te veronachtzamen, en zich bezig te houden met het niet opgelegde.

Herinner u de hemelse levenstaak en stel u het beeld van de Gekruisigde Jezus voor. Gij moogt met reden beschaamd worden, bij de aanblik van Jezus leven, wijl gij tot nog toe zo weinig gedaan hebt om aan hem gelijkvormig te worden, ofschoon gij voorlang in de weg des Heren getreden zijt. Een kloosterling, die zich ernstig en godvruchtig oefent op het allerheiligst leven en lijden des Heren, zal daar overvloedig in vinden alles wat hem nuttig en noodzakelijk is, en hij behoeft buiten Jezus niets beter te zoeken. O, indien de gekruisigde Jezus in ons hart kwam, hoe spoedig zouden wij gans volleerd zijn!

Een ijverig kloosterling neemt wél aan al wat hem bevolen wordt, en draagt het gewillig. Maar een lauw en zorgeloos kloosterling heeft lijden op lijden, en voelt van alle kanten benauwdheid; want de inwendige troost ontbreekt hem, en de uitwendige te zoeken wordt hem verhinderd. Een kloosterling die buiten zijn regel leeft, is in gevaar van diep te vallen. Wie de vrijheid en gemakken zoekt, zal altijd in het nauw zijn: Want het een of het ander zal hem mishagen.

Hoe doen zoveel andere kloosterlingen, die zeer nauw gebonden zijn door de kloostertucht? Zij gaan zelden uit, zij leven afgescheiden, zij worden armoedig gevoed en grof gekleed; zij arbeidden veel, spreken weinig, waken laat, staan vroeg op, bidden lang, lezen veel, en onderhouden in alles nauwkeurig de regel. Zie de Karthuizers, de Cistercinsers, en meer andere monniken, zo mannen als vrouwen, hoe zij alle nachten opstaan om God lof te zingen. Het zou daarom voor u schandelijk zijn, indien gij in een zo heilige tijd, wanneer zulk een schaar van kloosterlingen God beginnen te loven, moest luieren.

O, hadden wij toch niets anders te doen, dan God onze Heer met hart en mond te loven! O, moesten wij toch nooit eten, drinken of slapen; maar mochten wij God onophoudelijk danken, en ons alleen met geestelijke oefeningen bezig houden, dan zouden wij veel gelukkiger wezen dan wij nu zijn, nu wij genoodzaakt zijn het lichaam in al zijn behoeften te dienen. Och, bestonden die noodzakelijkheden niet, maar alleen de geestelijke zielsverkwikkingen, die wij, helaas! nu maar zelden smaken.

Als een mens zover gekomen is, dat hij bij geen schepsel zijn troost zoekt, dan begint hij God eerst volkomen te smaken, en dan zal hij ook wel tevreden zijn met alles wat er gebeuren zal. Dan zal hij zich met iets groots niet verblijden, noch met iets kleins zich bedroeven, maar hij beveelt zichzelf gans en vol betrouwen aan God, die hem alles in alles is, voor wie niets verloren gaat of sterft, maar voor wie alles leeft en zonder uitstel gehoorzaamt.

Denk altijd op uw einde en dat de verloren tijd niet zal wederkeren. Zonder zorg en naarstigheid zult gij nooit deugden bekomen. Wanneer gij begint te verflauwen, dan zal ook de kwelling beginnen; maar volhardt gij in de vurigheid, zo zult gij grote vrede vinden, en zal de arbeid u minder zwaar vallen door de genade Gods en de liefde tot de deugd. Een vurig en naarstig mens is tot alles bereid. Het is zwaarder moeite aan de zonden en de driften te wederstaan, dan in het zweet van het aanschijn te werken. Wie kleine gebreken niet vermijdt, zal langzamerhand in grotere vallen (4). Gij zult ’s avonds altijd blijdschap gevoelen, als gij de dag wél hebt doorgebracht. Waak over uzelf, wek uzelf op, vermaan uzelf, en hoe het ook met anderen sta, verzuim nooit uzelf. Hoe meer geweld gij uzelf aandoet, des te grotere vooruitgang zult gij doen in de deugd.

1) Eccl. 51: 31 2) Rom. 12: 2 3) Psalm 36: 3 4) Eccl. 19

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek I Hoofdstuk 24 Over het oordeel en de zondestraffen

Let in alle dingen op het einde, en hoe gij voor die strenge rechter zult staan, voor wie niets verborgen is, die met geen giften wordt omgekocht, en die geen uitvluchten aanneemt, maar alles oordelen zal naar de rechtvaardigheid. O ellendige en dwaze zondaar! Wat zult gij God antwoorden, die al uw zonden kent; gij die somtijds de aanblik vreest van een vergramde mens? Waarom neemt gij geen voorzorg tegen de dag van het oordeel, alwaar niemand door een ander beschermd of vrijgepleit zal kunnen worden, maar iedereen last genoeg zal hebben aan zichzelf. Nu is uw arbeid vruchtbaar, uw wenen aangenaam, uw zuchten verhoord, uw droefheid verzoenend en zuiverend.

Hij heeft in dit leven een groot en zalig vagevuur, de verduldige mens, die, het onrecht lijdende, bedroefder is voor de boosheid van een ander, dan over eigen leed; die gaarne bidt voor zijn tegenstrevers, en hun uit ter harte vergeeft het kwaad hem aangedaan; die zelf gewillig is om aan anderen vergiffenis te vragen; die meer tot medelijden genegen is dan tot gramschap; die zichzelf dikwijls geweld aandoet, en het vlees aan de geest volkomen tracht te onderwerpen. Het is beter zich nu van zijn zonden te zuiveren en zijn gebreken uit te roeien, dan ze te bewaren om in het toekomende leven uitgeboet te worden. Voorwaar, wij bedriegen onszelf door de ongeregelde liefde, die wij ons lichaam toedragen.

Wat zal het eeuwig vuur anders verslinden dan uw zonden? Hoe meer gij nu uzelf ontziet en uw vlees involgt, des te meer zult gij hiernamaals boeten en zoveel te meer brandstof vergadert gij. Waar de mens meest in gezondigd heeft, daar zal hij ook zwaarder in gepijnigd worden. Daar zullen de luiaards met gloeiende prikkels voortgestuwd, en de gulzigaards met geweldige honger en dorst gepijnigd worden. Daar zullen de onkuisaards en de genotbejagers met ziedend pek en stinkende solfer overgoten worden: en de nijdigaards zullen als dulle honden huilen van de pijn.

Ieder zonde zal haar eigen pijn hebben. Daar zullen de hovaardigen met schaamte overdekt, en de gierigaards met een allerbitterste armoede benauwd worden. Daar zal n uur lijden zwaarder vallen, dan hier honderd jaren in de allerstrengste boetvaardigheid. Hier staakt men somtijds het zwoegen, en geniet men troost van vrienden; dr integendeel is geen rust, geen troost voor de verdoemden. Wees nu bekommerd en heb leedwezen over uw zonden, opdat gij in de dag van het oordeel zonder angst moogt zijn met de gelukzaligen. Want dan zullen de rechtvaardigen met grote vrijmoedigheid zich verheffen over hen, die hen hier ten onrechte benauwd en verdrukt hebben (1). Dan zal hij recht staan om te oordelen, die zich hier ootmoedig onderwerpt aan de oordelen der mensen. Dan zal de arme en ootmoedige een grootvertrouwen hebben, en de hovaardige zal van alle kanten met vrees bevangen zijn.

Dan zal blijken, dat hij hier zeer wijs is geweest, die om Christus heeft leren dwaas en veracht te zijn. Dan zal het lijden, dat men geduldig zal hebben verdragen, verheugen, en alle boosheid zal de mond sluiten (2). Dan zullen alle godvrezenden zich verblijden, en de goddeloze zal in droefheid gedompeld zijn. Dan zal het getuchtigde lichaam zich meer verheugen dan indien het in de weelde ware gekoesterd geweest. Dan zal het grove kleed schitteren, en het fijne kleed zal duister worden. Dan zal een arm hutteke meer geprezen worden dan een van goud glinsterend paleis. Dan zal het standvastig geduld meer helpen dan de macht van geheel de wereld. Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid meer geprezen worden dan alle aardse arglistigheid.

Dan zal een zuiver en goed geweten meer blijdschap geven dan hoge geleerdheid. Dan zal de versmading der rijkdommen zwaarder wegen dan al de schatten der aarde. Dan zult gij meer troost smaken om een godvruchtig gebed, dan om een kostelijke maaltijd. Dan zult gij blijder zijn over een welbewaard stilzwijgen, dan over lange gesprekken. Dan zullen de heilige werken van meerder waarde zijn, dan schone woorden. Dan zal een streng leven en harde boete meer behagen dan alle wereldse vermaken. Leer nu in t kleine lijden, opdat gij dan van het zwaardere bevrijd moogt zijn. Beproef eerst hier wat gij namaal zult kunnen lijden. Kunt gij nu zo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen uitstaan? Indien een matig lijden u hier zo ongeduldig maakt, wat zal de hel dan doen? Zie, gij kunt geen twee vreugden genieten: hier in de wereld uw vermaakt nemen, en daarna met Christus heersen.

Indien gij tot op de huidige dag toe in alle eer en weelde geleefd hadt, wat zou dit alles u baten, indien gij nu op staande voet moest sterven? Alles is dus ijdelheid, behalve God beminnen en Hem alleen dienen. Want die God uit ganser harte bemint, vreest noch dood, noch pijn, noch oordeel, noch hel; wijl de volmaakte liefde veiliger toegang geeft tot God. Maar het is geen wonder, dat hij, die nog vermaak schept in de zonde, de dood en het oordeel vreest. Het is echter goed, indien de liefde Gods u nog van de zonden niet wederhoudt, dat de vrees der hel u beteugele. Doch, die de vrees Gods weinig acht, kan niet lang in het goed volharden, maar hij zal welhaast in de strikken van de duivel vallen.

1) Wijsh. 5: 1

2) P. CVI: 42

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)