Maand: april 2017

De Europese godsdienst

Vandaag viert de kerk het feest van de heilige evangelist Marcus. In de tridentijnse mis gebeurt dat met de lezing van het verhaal van de zending van de 72. Jezus zond hen uit met een waarschuwing: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag daarom de eigenaar van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst. Ga nu, maar weet wel, Ik stuur jullie als lammeren onder de wolven.”

Read More

Boek III Hoofdstuk 49 Over het verlangen naar het eeuwig leven, en hoe grote goederen beloofd zijn aan de strijders

CHRISTUS. – Zoon, als gij u de begeerte tot het eeuwig geluk van boven voelt ingestort, en gij de tent (1) van uw lichaam wenst te verlaten, zodat gij mijn klaarheid ten volle zonder enige schaduw van verandering (2) zoudt mogen aanschuwen, open dan hart, en ontvang die heilige ingeving met een groot verlangen. Dank grotelijks de opperste Goedheid, die zo barmhartig met u handelt, u zo genadig bezoekt, vurig opwekt en krachtig ondersteunt, opdat gij door eigen gewicht niet zoudt nederzinken tot het aardse. Want gij krijgt deze hemelse begeerte niet door eigen gedachten of pogingen, maar louter door de gunst van God, die een barmhartige oogslag op u werpt, opdat gij daardoor zoudt vooruitgaan in deugd en ootmoed, uzelf zoudt bereiden tot nieuwe worstelingen, en Mij aanhangen met al de begeerte van uw hart, en Mij dienen met vurige ijver.

Zoon, het vuur kan dikwijls gloeiend zijn, maar de vlam stijgt nooit op zonder rook. Zo branden ook de begeerten van sommigen tot het hemelse en nochtans zijn zij niet vrij van bekoringen der zinnelijke neiging. En al is het dat zij de hemelse dingen zo vurig aan God vragen, daarom geschiedt dit niet gans zuiver om zijn eer. En zodanig is ook dikwijls uw begeerte, die volgens uw zeggen zo dringend kon zijn. Want niets is zuiver en volmaakt, als het besmet is met eigenbaat.

Vraag niet wat u vermakelijk is en te pas komt, maar wat mij aangenaam is en verheerlijkt; want als gij rechtvaardig oordeelt, moet gij mijn beschikking boven uw begeerte en al wat gij kunt wensen, stellen en involgen. Ik weet wel wat gij meest begeert, en ik heb uw verzuchting dikwijls gehoord. Gij zoudt reeds in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods willen zijn (3); reeds zoudt gij gaarne zijn in dat eeuwig huis, in het vreugdevolle hemels vaderland; maar het uur is nog niet gekomen; gij zijt nog in een andere tijd, tijd van strijd, arbeid en beproeving. Gij wenst vervuld te zijn met het Opperste Goed, maar dat kunt gij nog niet genieten.

Ik ben dat goed: verwacht Mij, zegt de Heer, totdat het rijk Gods kome (4).

Gij moet op aarde nog beproefd en in vele dingen geoefend worden. U zal intussen wat troost verleend worden, maar volkomen verzadiging zult gij nooit bekomen. Schep dus moed en wees kloek (5), zowel om te doen als om te lijden, wat aan de natuur strijdig is. Gij moet de nieuwe mens aantrekken (6) en een geheel ander man worden (7). Gij zult dikwijls moeten doen, wat u mishaagt van wat u aanstaat. Wat anderen gaarne hebben, zal gelukken: wat u behaagt, zal niet wel uitvallen.

Wat de anderen zeggen, zal aanhoord worden; wat gij zegt, zal voor niets geteld worden. De anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen.

Anderen zullen groot zijn in de mond der mensen, maar van u zal men zwijgen. Anderen zal men dit of dat opdragen; maar gij zult gerekend worden als nergens voor bekwaam. Om dergelijke dingen zal de natuur soms bedroefd zijn, maar gij zult een groot werk doen, indien gij dit zonder klagen verdraagt. In deze en meer dergelijke dingen wordt een getrouw dienaar des Heren gestadig beproefd, hoe ver hij zich verloochenen en in alles overwinnen kan. Bijna niets is er, waarin gij u zozeer moet versterven, als in het zien en lijden van wat uw wil tegenstaat, voornamelijk als u iets geboden wordt, wat u schijnt ongerijmd en zonder voordeel te wezen. En omdat gij onder eens anders gebied gesteld zijt, aan wiens overheid gij niet durft wederstaan, daarom schijnt het u hard te wezen, te gehoorzamen aan een anders wenken en uw eigen goeddunken in niets te volgen.

Maar overdenk, mijn zoon, de vrucht van al die moeiten, hun korte duur, en het overgrote loon dat zal volgen, dan zult gij er geen last in vinden, maar een machtige troost ter verduldigheid. Want voor die kleine wil, die gij nu gaarne afstaat, zult gij eeuwig uw wil hebben in de hemel. Daar zult gij vinden alles wat gij wilt, alles wat gij verlangen kunt. Daar zult gij in het volle bezit zijn van alle goed, zonder vrees het te verliezen. Daar zal uw wil, altijd verenigd met de mijne, niets zoeken buiten Mij, niets dat u eigen is. Daar zal niemand u weerstaan, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets zal u in de weg staan; maar alles, wat wenselijk is, zal tegelijk aanwezig zijn, en gans uw begeerte verzadigen en ten volle voldoen. Daar zal ik u grote eer geven voor geleden smaad: een eremantel voor zielerouw (8) en voor de laagste plaats, een verheven troon in het eeuwig rijk. Dan zal men de vrucht zien van de gehoorzaamheid, het leed der boetvaardigheid veranderd in blijdschap, en de ootmoedige onderwerping gekroond met eeuwige luister.

Daarom buig ik nu ootmoedig onder de hand van allen, niet lettende wie dit gezegd of geboden heeft. Maar neem wel acht, dat gij alles ten goede opneemt, en met een oprechte wil tracht te volbrengen wat uw overste, uw gelijke, of een jongere van u verzoekt of te kennen geeft. Laat de ene dit, een andere dat zoeken; laat deze hierin, gene daarin roem vinden, en er duizendmaal om geprezen worden: wat u aangaat, verblijd u noch in t ene noch in t andere, maar verheug u alleen in uw versmaadheid, in mijn welbehagen en mijn eer. Wat gij met Paulus moet wensen is, dat God altijd in u verheerlijkt worde, hetzij door uw leven, hetzij door uw sterven (9).

(1) 2 Petr. 1: 13 (2) Jac. 1: 17 (3) Rom. 8: 21 (4) Luc. 22: 18 (5) Jos. 1: 7 (6) Ef. 4: 24 (7) 1 Kon. 10: 6 (8) Is. 71: 3 (Fil. 1: 20)

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 48 Over de dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven

DE ZIEL. – Hoe zalig is het verblijf der hemelse stad! O heldere dag der eeuwigheid, die door geen nacht verduisterd, maar altijd verlicht wordt door de eeuwige Waarheid; o dag vol blijdschap en veiligheid, die nooit in het tegenovergestelde omslaat. Ach, dat die dag reeds aangebroken ware, en al het tijdelijke een eind hadde genomen! Die dag schijnt reeds voor de Heiligen in de volle glans van zijn eeuwige klaarheid; maar voor ons, pelgrims op aarde, niet dan van ver, en als in een spiegel (1).

De burgers des hemels weten hoe vermakelijk die dag is; maar de ballingen, kinderen van Eva, zuchten dat de tegenwoordige dag zo bitter en verdrietig is. De dagen van dit leven zijn kort en pijnlijk (2), vol smarten en ellenden: de mens wordt er door besmet door vele zonden, belemmerd door vele driften, benauwd door vele angsten, bekommerd door vele zorgen, verstrooid door nieuwigheden, gewikkeld in vele ijdelheden, omringd door dwalingen, overladen door veel arbeid, bezwaard met bekoringen, ontzenuwd door weelde, gepijnigd door gebrek.

Ach, wanneer zullen deze kwellingen een einde nemen? Wanneer zal ik verlost worden van de ellendige slavernij der zonden? O God, wanneer zal ik U alleen gedachtig zijn? wanneer zal ik mij volkomen in U verheugen? Wanneer zal ik, zonder enig letsel, in de ware vrijheid des harten, zonder bezwaar van geest of lichaam wezen? Wanneer zal ik die vertrouwbare vrede genieten, die onverstoorbare en veilige vrede, vrede van buiten en van binnen, een alleszins vaste vrede. O goede Jezus, wanneer zal ik voor U verschijnen om U te zien? Wanneer zal ik de glorie van uw rijk aanschouwen, wanneer zult Gij mij alles in alles zijn? Ach, wanneer zal ik met U zijn in het rijk, dat Gij van eeuwigheid bereid hebt voor uw vrienden? (3) Ik ben hier gelaten, ellendige balling, in een vijandig land, waar dagelijks vele strijden en ongevallen elkander opvolgen.

Vertroost mijn ballingschap, verzacht mijn droefheid, want al mijn begeerten verzuchten naar U. Alles wat de wereld mij tot troost aanbiedt, valt mij lastig. Ik verlang vurig U innig te genieten: maar ik kan het niet bereiken. Ik wens mij bezig te houden met het hemelse, maar tijdelijke zaken en onverstorven driften drukken mij neder. Met het hart zou ik mij gaarne boven alle dingen verheffen maar het vlees houdt mij, tegen mijn wil, daaraan onderworpen. Aldus strijd ik, ongelukkig mens, met mijzelf, en word ik mij tot eigen last (4), daar de geest omhoog wil, en het vlees altoos omlaag.

O wat lijd ik inwendig, als ik aan het hemelse denk, en ik straks in mijn gebed word bestormd door een drom van zinnelijke bekoringen! O God, wijk van mij niet af, (5) en verlaat uw dienaar niet in uw gramschap (6). Laat uw schittering flikkeren, verdrijf de boze gedachten; werp uw pijlen (7), en verdrijf al de kwade ingevingen van de vijand. Roep al mijn aandacht op U; doe mij vergeten al wat werelds is; geef dat ik alle zondige inbeeldingen dadelijk verfoeie en verwerpe. O eeuwige Waarheid, kom mij te hulp, opdat ik door geen ijdelheid ontroerd worde. Ach, hemelse zoetheid! Daal in mijn hart, en alle onreinheid vliede voor U weg. Vergeef mij ook, en handel met mij naar uw barmhartigheid, wanneer ik in het gebed aan iets anders denk dan aan U. Want ik belijd naar waarheid dat ik veelal zeer verstrooid ben. Dikwijls ben ik daar niet, waar ik lichamelijk sta of zit, maar ik ben eerder daar, waar mijn gedachten mij vervoeren. Ik ben, waar mijn gedachte is; en mijn gedachte is allermeest waar het voorwerp van mijn liefde is. Wat mij natuurlijk behaagt of uit gewoonte vermaakt, komt mij terstond te binnen.

En daarom hebt Gij, o opperste Waarheid, uitdrukkelijk gezegd: Waar uw schat is, daar is ook uw hart (8). Indien ik e hemel bemin, zo verblijd ik mij in de voorspoed der wereld, en ik bedroef mij in haar tegenspoed. Indien ik het vlees bemin, zo verbeeld ik mij dikwijls wat vleselijk is. Als ik de geest bemin, daarvan spreek en hoor ik gaarne; en daarvan neem ik de voorstelling mee naar huis. Maar gelukkig de mens, o Heer! die ter liefde van U alle schepselen uit zijn hart bant; die de natuur geweld aan doet, en de begeerlijkheid van zijn vlees kruisigt door de vurigheid van de geest; opdat hij met een rein geweten U een zuiver gebed moge opdragen, en, alle aardse dingen in- en uitwendig verlaten hebbende, waardig zij tot de Koren der Engelen te behoren.

(1) 1 Kor. 13: 12 (2) Gen. 47: 9 (3) Matth. 25: 34 (4) Job 7: 20 (5) Ps. 70: 22 (6) Ps. 26: 9 (7) Ps. 143: 6 (8) Matth. 6: 21

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 47 Voor het eeuwig leven moet men alle bezwaren verdragen

CHRISTUS. – Zoon! Word niet kleinmoedig in de arbeid, die gij om mijnentwil op u hebt genomen, en wees niet neerslachtig om enige kwellingen; maar dat mijn belofte u bij iedere gebeurtenis versterke en vertrooste. Ik ben machtig genoeg om u daarvoor te lonen boven alle paal en maten. Gij zult niet lang arbeiden of niet altijd gedrukt worden door smarten en lijden. Wacht een weinig, en gij zult welhaast het einde van uw ellende zien. Het uur zal komen, waarop alle arbeid en pijn zullen ophouden. Al wat met de tijd voorbijgaat, is klein en kortstondig.

Doe naarstig wat gij te doen hebt, arbeid getrouw in mijn wijngaard, en Ikzelf zal uw loon zijn. Schrijf, lees, zing, zucht, bid, verdraag kloekmoedig tegenspoed: het eeuwig leven is dit alles en nog groter strijd waardig. De vrede zal komen op een dag, die de Heer bekend is, en daar zal geen dag of nacht meer gelijk wezen in deze tijd; maar eeuwig licht en oneindige klaarheid, vaste vrede en volle rust. Dan zult gij niet zeggen: Wie zal mij verlossen van dit sterfelijk lichaam? (1); of roepen: Helaas, dat mijn ballingschap zo lang duurt! (2) want de dood zal teniet gedaan zijn (3), en de zaligheid zal eeuwig duren; daar zal geen vrees, maar zalige blijdschap zijn en een eerlijk en zoet gezelschap.

Ach, hadt gij in de hemel de eeuwige kronen van zijn heiligen gezien, en in hoe grote glorie zij zich nu verheugen, die eertijds door de wereld versmaad waren, en gehouden werden als dit leven niet waardig te zijn; voorwaar, gij zoudt u aanstonds tot in het stof vernederen en liever begeren aan allen onderworpen, dan boven n gesteld te zijn. Gij zoudt hier ook geen blijde dagen verlangen, maar eerder u verblijden voor God te lijden; en gij zoudt voor een groot voordeel achten bij de mensen voor niets gehouden te worden.

Ach, indien gij smaak vondt in deze leringen, en zij u diep ter harte gingen, hoe zoudt gij een enkele keer kunnen klagen? Moet men voor het eeuwig leven niet de zwaarste arbeid verdragen? Het is geen kleine zaak het rijk Gods te verliezen of te winnen. Hef dan uw ogen opwaarts tot de hemel, zie, Ik en mijn heiligen, die in deze wereld grote strijd gehad hebben, zijn nu in blijdschap, in vertroosting, in rust, en zullen eeuwig in het rijk van mijn Vader blijven.

(1) Rom. 7: 24 (2) Ps. 119: 5 (3) Is. 25: 8

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 46 Dat men zijn vertrouwen op God moet stellen, als pijlen van boze tongen ons treffen

CHRISTUS. – Zoon, sta vast en hoop op mij. Wat zijn woorden anders dan woorden? Zij vliegen door de lucht, maar een steen doen ze geen kwaad. Indien gij u schuldig kent, denk om u te beteren; indien gij niet plichtig zijt, denk dat gij dit gaarne om God wilt lijden. Het is wel weinig genoeg, dat gij somtijds al enige onredelijke woorden verdraagt, gij die nog geen zware beproevingen kunt verduren. En waarom gaan zulke kleinigheden u ter harte, tenzij omdat gij nog zinnelijk en onverstorven zijt, en meer om de mensen bekommerd zijt dan het behoort? Want omdat gij vreest minacht te worden, daarom wilt gij niet berispt worden over uw gebreken, en zoekt die door verontschuldigingen te dekken.

Maar onderzoek u beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft, en de ijdele begeerte om aan mensen te behagen. Want als gij weigert vernederd te worden beschaamd gemaakt om uw gebreken, zo blijkt het genoeg, dat gij niet oprecht ootmoedig, niet oprecht aan de wereld afgestorven zijt, en dat de wereld voor u niet gekruisigd is (1). Luister maar naar mijn woord, en gij zult om honderd duizend woorden van mensen u niet bekommeren. Al ware het dat men alles tegen u inbracht wat de boosheid kan verzinnen, wat zou u dat hinderen, indien gij dit liet voorbijgaan, en niet meer achtte dan een niet? Zouden al die woorden u wel een haarpijl kunnen doen verliezen?

Maar hij die niet ingetogen van hart is en God niet voor ogen houdt, die wordt licht ontroerd door een smadelijk woord. Hij, integendeel, die op mij vertrouwt, en op zijn eigen oordeel niet steunt, zal zonder mensenvrees zijn. Want Ik ben de Oordeler en de Kenner van alle geheimen. Ik weet hoe alles geschied is, Ik ken die het ongelijk gedaan en die het geleden heeft. Het is door mijn bevel dat gij dit lijdt, en dit is geschied door mijn toelating: opdat de gedachten van alle harten openbaar gemaakt zouden worden (2). Ik zal de plichtige en de onschuldige oordelen, maar door mijn verborgen oordeel heb ik beiden eerst willen beproeven.

De getuigenis der mensen faalt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig; het zal stand houden en niemand zal het omwerpen. Het is meestendeels verborgen en aan weinige mensen is alles bekend: doch nimmer dwaalt het, of kan het dwalen, hoewel het onrechtmatig schijnt voor de ogen der dwazen. Men moet dan in alle oordeel tot Mij zijn toevlucht nemen, en niet op eigen goeddunken steunen. Want de rechtvaardige zal niet ontroerd worden wat hem ook van Godswege overkomt (3). En als er iets ten onrechte van hem gezegd wordt, zal hij dit niet veel achten. Maar hij zal er zich ook niet lichtvaardig om verblijden, als hij door anderen op goede grond verontschuldigd wordt. Want hij denkt, dat Ik het ben die harten en nieren doorgrond (4), en dat ik niet oordeel naar de uitwendige schijn of het aanzicht der mensen. Wat de mensen loffelijk achten, wordt dikwijls strafvaardig bevonden in mijn ogen.

DE ZIEL. – O Heer, mijn God, rechtvaardige, machtige en lankmoedige rechter, die de boosheid en verdorvenheid van de mens kent, wees mijn kracht en mijn enig vertrouwen; want de getuigenis van mijn geweten is mij niet genoegzaam.

Gij weet dat ik niet weet, en daarom moet ik bij alle berispingen mij vernederen, en ze met zachtmoedigheid verdragen. Vergeef mij ook, o Heer! zo dikwijls ik anders gehandeld heb, en verleen mij de genade van voortaan zachtmoediger te zijn. Want uw overvloedige barmhartigheid is mij nuttiger om de vergiffenis van mijn zonden te verkrijgen, dan mijn ingebeelde rechtvaardigheid tot verdediging van mijn geweten. Al bevind ik mij nergens schuldig, nochtans ben ik daarom niet gerechtvaardigd (5): want zonder uw barmhartigheid, zal geen sterveling rechtvaardig zijn voor uw aanschijn (6).

(1) Gal. 6: 14 (2) Luc. 2: 35 (3) Prov. 12: 21 (4) ps. 7: 10 (5) 1 Kor. 4 (6) Ps. 142: 2

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)