Maand: april 2017

Boek III Hoofdstuk 45 Dat men iedereen niet moet geloven, en hoe licht men in woorden struikelt

DE ZIEL. – Heer! Geef mij uw bijstand in de kwelling, want de hulp der mensen is ijdel. (1) Hoe dikwijls heb ik geen trouw gevonden, waar ik die zeker meende te vinden? En hoe dikwijls heb ik er gevonden, waar ik ze niet gezocht zou hebben! IJdel is dan de hoop, op mensen gebouwd; maar het heil der rechtvaardigen is in U, o Heer! Wees gezegend, mijn Heer en mijn God, in alles wat ons overkomt. Wij zijn krank en ongestadig; spoedig bedriegen wij ons en veranderen wij.

Wie is de mens, die zich zo voorzichtig in alles kan gedragen, dat hij niet soms in enige dwaling of verwarring valle? Maar, o Heer! Die op U vertrouwt, en U met een zuivere mening zoekt, zal zo licht niet stronkelen. En al valt hij somtijds in enige kwelling, ja hoezeer hij ook daarin gewikkeld zij, hij zal er welhaast door U uitgeholpen of getroost worden: want Gij verlaat hem niet die op U vertrouwt. Men vindt zelden een trouwe vriend, die bij alle verdrukkingen van zijn vriend standvastig blijft. Gij alleen, o Heer! Gij zijt de allergetrouwste vriend, en buiten U is er geen ander zoals Gij!

Ach! Hoe wijselijk sprak de Heilige Agatha, als zij zeide: Mijn hart is bevestigd en gegrond op Jezus Christus. Indien ik alzo gesteld ware, de vrees der mensen zou mij zo licht niet ontstellen, noch de bijtende woorden mij ontroeren. Wie kan alle dingen voorzien? Wie kan alle kwade voorvallen vermijden? Indien het kwaad dat men voorziet, nog veelal kwetst, hoeveel te zwaarder zal ons dit wonden, welk wij niet voorzien? Maar waarom heb ik, arme, niet beter overlegd? En waarom heb ik zo licht anderen geloofd? Maar wij zijn mensen, en wij zijn niets dan zwakke mensen, al is het dat wij soms door velen voor Engelen gehouden worden. Op wie zal ik dan voortaan vertrouwen, o Heer! Anders dan op U alleen? Gij zijt de Waarheid, die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden. Integendeel: ieder mens is leugenachtig (2), krank, ongestadig, licht struikelend, bijzonder in zijn woorden; zodat niemand terstond moet geloven, al schijnen zijn woorden rechtzinnig te zijn.

Hoe wijselijk, o Heer! Hebt Gij ons gewaarschuwd, ons te wachten voor mensen 3); dat huisgenoten van de mens zijn vijanden zijn (4), en dat men geen geloof moet geven aan hen die zeggen: Zie Christus is hier of Hij is daar (5). Ik ben wijs geworden door eigen schade, en ach, mocht het mij tot meerdere voorzichtigheid strekken en niet om tot nieuwe dwaasheid te vervallen. Wees voorzichtig, zegt mij iemand, wees voorzichtig, en houd voor u wat ik zeg; en terwijl ik zwijg en meen dat het verborgen is, kan hij dat zelf niet stilhouden, maar zichzelf en mij verraden hebbende, gaat hij heen. Bewaar mij, Heer, voor zulke onbezonnen en onvoorzichtige mensen, opdat ik niet in hun handen val, of nooit zo handel. Geef aan mijn mond een waarachtig en standvastig woord, en verwijder van mij de tong van arglist. Wat ik in anderen niet wil lijden, daar moet ik mijzelf voor wachten.

Ach! Hoe goed en vredestichtend is het van anderen te zwijgen, niet alles licht te geloven, of niet lichtvaardig iets voort te zeggen; Aan weinigen zijn hart te openbaren, en U, o Heer! Altoos voor ogen te hebben; In zich niet te laten omdraaien door elke wind van woorden, maar te wensen dat alles binnen en buiten ons volbracht moge worden volgens uw welbehagen. Hoe nuttig is het, tot het behoud der hemelse genade, vertoon onder de mensen te ontwijken en die dingen niet te begeren, die de bewondering der mensen schijnen te verwekken; maar met alle naarstigheid betrachten wat de verbetering van het leven en de ijver bevordert. Hoe schadelijk is het niet geweest aan vele mensen, dat hun deugd bekend was en te vroeg geprezen werd. Hoe voordeliger daarentegen, dat over de genade het stilzwijgen werd bewaard in dit broze leven, dat te recht een gedurige strijd en een onophoudelijke bekoring wordt genoemd (6)

(1) ps. 59: 13 92) Ps. 115: 2 (3) Matth. 10: 17 (4) Matth. 10: 36 (5) Matth. 24: 13 (6) Job 7: 1

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 44 Men moet zich de uitwendige dingen niet te veel aantrekken

CHRISTUS. – Zoon, gij moet in vele dingen onwetend blijven (1), en u aanzien als een dode op de aarde, voor wie geheel de wereld gekruisigd is. Gij moet ook veel met dove oren laten voorbijgaan, en liever denken op wat uw vrede bevordert. Het is beter uw ogen af te keren van wat u mishaagt, en ieder in zijn goeddunken te laten, dan aanleiding te geven tot twisten. Indien gij met God wl staat, en altijd op zijn oordeel denkt, zo zult gij licht verdragen dat men u ongelijk geve.

DE ZIEL. – O heer! Waartoe zin wij gekomen? Zie, men beweent een tijdelijk verlies; men loopt en arbeidt om een klein gewin; en het geestelijk verlies wordt vergeten; ternauwernood komt men na lange tijd tot andere gedachten. Men geeft achting op wat weinig of niet baat; en wat allermeest nodig is, wordt veronachtzaamd; omdat de gehele mens zich buitenwaarts uitstort, en, tenzij hij niet ras tot bezinning komt, met vermaak in het uitwendige rusten blijft.

(1) Eccl. 32: 12

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 43 Tegen de ijdele wetenschap der wereld

CHRISTUS. – Zoon, laat u niet bewegen door schone en diepzinnige mensentaal; want het rijk Gods bestaat niet in woorden, maar in hemelse Kracht (1). Let op mijn woorden, die het hart ontsteken en het verstand verlichten; die het leedwezen van het hart verwekken en velerhande troost verschaffen. Lees immer mijn woord, om daardoor geleerder of wijzer te schijnen. Leer uw gebreken uitroeien, dit zal u meer baten dan de kennis van vele moeilijke leerstukken.

Als gij veel gelezen en geleerd zult hebben, zo moet gij evenwel altoos op het enige beginsel terugkomen. Ik ben het die de mens wetenschap leer (2), en aan de ootmoedigen meer kennis geef (3) dan zij van enig mens kunnen leren. Hij, tot wie ik spreek, zal spoedig geleerd zijn, en in het verstand zeer toenemen. Wee hun, die van de mensen veel nieuwe en zeldzame dingen willen leren, en die weinig vragen naar de weg om Mij te dienen! De tijd zal komen, waar de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, zal verschijnen, om ieders les te horen; dat is om eenieders geweten te onderzoeken. En dan zal Hij met lantaarnen doorvorsen (4): en de geheimen der duisternis zullen openbaar worden (5), en alle menselijke redenering zal verstommen.

Ik ben het, die, op een oogslag, een ootmoedig hart z verhef, dat het meer begrijpt van de eeuwige waarheid, dan hij die tien jaren in de scholen had gestudeerd. Ik leer zonder gedruis van woorden, zonder verwarring van gevoelens, zonder opgeblazen eergierigheid, zonder strijd van redetwist. Ik leer het aardse verachten, van het tegenwoordige walgen, het eeuwige zoeken en smaken, alle eer vluchten, de ergernis en het ongelijk verdragen, alle hoop op Mij stellen, niets begeren buiten Mij, en boven alles Mij vurig beminnen.

Men vindt er die, met Mij innig te beminnen, het goddelijke kennen en bewonderenswaardig spreken. Zij zijn meer gevorderd in deugden met alles te verlaten, dan met het bestuderen van vernuftige dingen. Maar aan sommigen leer ik gewone dingen, aan anderen bijzondere. Aan de een openbaar ik mij meer liefelijk in tekens en beeltenissen, doch aan anderen ontsluier in verborgen geheimen in een klaar licht. De stem der boeken is voor eenieder dezelfde, maar zij onderricht niet allen op gelijke wijze: want Ik ben de inwendige Leraar, de Waarheid, de Onderzoeker des harten, de Doorgronder der gedachten, de Bevorderaar der goede werken, eenieder bedelende volgens mijn welbehagen.

(1) 1 Cor. 4: 20 (2) Ps. 93: 10 (3) ps. 118: 130 (4) Wijsh. 1: 12 (5) 1 Cor. 4: 5

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 42 Dat wij de vrede niet van mensen moeten laten afhangen

CHRISTUS. – Zoon, indien gij uw vrede op enig persoon stelt, omdat hij met u van hetzelfde gevoelen is en in goede overeenkomst leeft, zo zult gij altijd ongestadig en ongerust wezen. Maar indien gij uw toevlucht neemt tot de waarheid, die altijd leeft en altijd blijft, zo zult gij niet droef zijn, als een vriend van u scheidt of sterft. De liefde voor uw vriend moet op Mij rusten; al die u goed toeschijnen en u in dit leven dierbaar zijn, moet gij om Mij beminnen. Zonder Mij is geen vriendschap goed of duurzaam; en het is geen ware en zuivere liefde, die niet door Mij geknoopt is. Gij moet van de vriendschap der mensen zodanig onthecht zijn, dat gij, (voor zoveel het u aangaat) buiten alle menselijk gezelschap zoudt willen blijven. Hoe meer de mens zich van alle aardse troost verwijdert, zoveel te meer nadert hij tot God. En hij klimt ook zoveel te hoger tot God, hoe dieper hij in zichzelf nederzinkt, en verachtelijker wordt in eigen oog.

Maar die zichzelf iets goeds toeschrijft, belet de toegang van Gods genade, want de Heilige Geest zoekt altijd een ootmoedig hart. Indien gij u volkomen wist te vernietigen, en alle geschapen liefde uit uzelf te bannen, dan zou Ik met grote genade tot u moeten komen. Want zo gij het oog vestigt op de schepselen, zo verliest gij de Schepper uit het gezicht. Leer uzelf in alles om God overwinnen, dan zult gij tot zijn kennis kunnen komen. Hoe onbeduidend een zaak moet zijn, zo zij ongeregeld bemind en gezocht wordt, besmeurt zij de ziel, en houdt u terug van het hoogste Goed.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 41 Over het verachten van alle tijdelijke eer

CHRISTUS. – Zoon! Bedroef er u niet om, als gij ziet dat anderen geerd en verheven worden, en gij veracht en vernederd. Hef uw hart tot Mij in de hemel, en gij zult u niet bedroeven wanneer gij op aarde door de mensen versmaad wordt.

DE ZIEL. – Heer! Wij zijn zeer verblind en worden licht misleid door de ijdelheid. Als ik mijzelf juist beoordeel, is mij nooit door enig schepsel ongelijk gedaan: diensvolgens heb ik geen billijke reden om van U te klagen. Want vermits ik dikwijls en zwaar gezondigd heb tegen U, zo is het recht en redelijk dat alle schepsel tegen mij opsta. Schande dus en smaad komt mij rechtvaardig toe; U, o Heer! Behoort lof, eer en roem. En indien ik mij niet bereid houd om door alle schepselen gaarne verlaten, veracht en voor volstrekt niets gerekend te worden, zo kan ik de inwendige vrede des harten niet bekomen, noch geestelijk verlicht worden en volkomen verenigd zijn met U.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)