Een vriend voor Wie je je moet schamen?

Plastische voorstelling van het oudtestamentische relaas: de warmte en het licht waarin God zich manifesteert wanneer Hij tussen de halfdoormiddengesneden offerdieren gaat

Vanmorgen leerde ik weer wat bij. In de pontificale famcatmis legde pastoor Paepen plastisch de betekenis van de nogal bizarre eerste lezing uit. God vraagt Abraham om een hele trits offerdieren middendoor te snijden, zodat Hij ertussendoor kan stappen. Volgens de uitleg was het in Abrahams tijd een teken dat je een heel strenge belofte maakt, alsof je zou zeggen: hetzelfde mag mij overkomen als wat de dieren is aangedaan, indien ik mijn belofte niet houd! Zo sterk is dus Gods belofte aan Abraham.

Dan las ik het nieuwe artikeltje over de paus op Kerknet, getiteld “Ons inzetten is ons ten dienste stellen voor een beter leven”. Niet zozeer de inhoud, maar wel de titel zette me aan het denken: het verband tussen ‘inzet’ en ‘dienen’.

Horen we het woord ‘inzet’, dan denken we aan een activiteit die we uitvoeren, die we zelf kunnen kiezen uit een breed aanbod van doelen. Horen wij het woord ‘dienen’, dan denken we aan machtsverhoudingen, aan gehoorzaamheid, aan het vermaledijde woordje ‘moeten’. Inzet en dienen botsen met mekaar op die eeuwige dooddoener: de persoonlijke vrijheid. Ogenschijnlijk, want ‘dienen’ is veel meer dan wat je denkt!

Stel je bijvoorbeeld twee verknochte vrienden voor (terloops: vriendschap is iets waarover in het geloof veel te weinig gesproken wordt, terwijl het een belangrijke bouwsteen is van een gelovige gemeenschap, minstens zo belangrijk als pakweg het gezin, waarover zelfs synodes georganiseerd worden). Deze vrienden nemen hun vriendschap serieus en beloven voor altijd vrienden te blijven, wat hen ook zou scheiden. Als de ene vriend dan op een gegeven moment naar de ander toestapt en vraagt om ergens mee te helpen, zal die ander geen ogenblik aarzelen, en ‘ja’ antwoorden. Hopelijk herkent de lezer zich hierin.

Ook dit is ‘dienen’! Net als een slaaf zijn meester ‘ja’ antwoordt als die om hulp vraagt, doet ook een vriend dat. Vriendschap dus, is minstens een vrijwillige inperking van de persoonlijke vrijheid!

Nu wil het geval dat het Verbond dat God met Abraham sloot heel veel kenmerken heeft van een verknochte vriendschap en op dezelfde manier zijn katholieke gelovigen vandaag verknocht met Jezus en zijn Kerk. Jezus heeft voor ons precies gedaan wat een verknochte vriend zou doen. Hij wist dat we zondaars zijn, en toch heeft Hij volmondig ‘ja’ geantwoord, zelfs nog voor we zijn hulp konden vragen! En zo doen wij dat ook voor Hem.

Als de Kerk, die het lichaam van Jezus op de aarde is, ons vervolgens een ‘dienst’ vraagt, mag dat niet bekeken wordt als een bevel in de context van een machtsverhouding! Neen, het is een ‘vriendendienst’ die de Kerk ons vraagt. Als we een ‘opdracht’ krijgen, is dat geen instructie van hogerhand! Neen, het is een vraag om onszelf ‘op te dragen’, ons toe te wijden, ons te verheffen in de vriendschapsband met God.

Dat inzicht maakt het zo bedroevend als je in gesprekken met gelovigen hoort dat men maar blijft zeuren over die ‘ouderwetse geboden en formalismen’ en verheugd is al die ‘regels’ te kunnen relativeren.

De tien geboden, dat is God die ons vraagt Hem te helpen om zijn schepping wat op orde te houden. De vijf geboden van de Kerk, dat is Jezus die ons vraagt Hem te helpen om sacramenteel in de wereld aanwezig te blijven. Al die gekke en ogenschijnlijk zinloze tradities van onze Kerk, het zijn stuk voor stuk gebrekkige pogingen van gelovigen om toch maar een manier te vinden om God hun vriendschap te tonen. Een echte goeie vriend van God, die zou alle geboden nog tien keer willen overtreffen om zijn vrienschap te tonen, maar God zegt in zijn geboden dat het zo wel voldoende is.

En wij, wij spreken over die geboden als over blinde bevelen die we van het ‘instituut’ Kerk naar onze kop geslingerd krijgen en we lappen ze vrolijk aan onze laars. Zijn we dan geen vrienden van Jezus en zijn Kerk meer? Tegen een vriend zou je toch nooit zomaar ‘nee’ zeggen als die iets vraagt?

Er is een vergoelijking. Alles wordt vandaag ingezet op de ‘werken’. De definitie van ‘inzet’ die de paus geeft in zijn audientie is sprekend: “Als ik mij inzet, wil dat zeggen dat ik een verantwoordelijkheid opneem, een taak jegens een ander”. Het is dus eigenlijk een overdrachtelijke vriendendienst. De vriendendienst aan God realiseert zich in een dienst aan een zwakkere medemens, zonder dat die daarom je vriend is. Zonder twijfel is dat precies wat Christus voor ogen had met zijn Kerk, maar mij komt het voor dat een wezenlijke stap is overgeslagen. Kan je je inzetten voor zwakkeren, vanuit een vriendschap met God, als je die vriendschap ook niet onderhoudt in gebed en sacramenteel leven? Ik geloof van niet.

Voor ‘professionele’ gelovigen lijkt het soms heel vanzelfsprekend. Al hun doen en laten is betrokken op de vriendschap met Jezus. Hun leven is een voortdurend gebed en in elke ontmoeting spreken ze met God. Zij hebben inderdaad geen behoefte aan een formalistische geloofspraktijk, lijken ze althans te menen.

Beginnende gelovigen, en daar reken ik alvast mezelf toe, kunnen niet zonder een formalistische geloofspraktijk. Ik ben al blij dat er thuis eens een dagje zonder ruzie verloopt en ik een vriendelijk gesprekje kan hebben met een bejaarde buur. Maar mijn geloof realiseren in ‘inzet voor de verlaten mensen, voor hen die een zware beperking hebben, voor de zwaar zieken, voor de stervenden’… met permissie, maar dat gaat toch wel mijn petje te boven. Ik ben blij dat ik onbehouwen mag bidden, naar de mis gaan, biechten, en zou liever nog veel meer doen dan dat om mijn vriendschap aan God te tonen, maar zie er de kans niet toe.

Daarom vond ik het vanochtend ook jammer dat mgr. Bonny in zijn uiteenzetting aan de ouders van de vormelingen over ‘de Kerk in de wereld van vandaag’ elke verwijzing heeft vermeden naar de concrete consequenties die uit de vriendschap met God voortvloeien, ook vandaag, voor ‘beginnende gelovigen’. Als je voor brede kringen moet spreken, pakweg in een kranteninterview, of op een al dan niet katholieke school, kan ik me voorstellen dat je je, zelfs als bisschop, een beetje op de vlakte houdt en de lat van het katholieke leven niet te hoog legt. Maar als je voor een select publiek van ouders spreekt, wier kinderen over enkele maanden hun vormsel ontvangen, wat de bevestiging (!) van hun geloof betekent, zou het dan niet de uitgelezen gelegenheid zijn om een ander register open te trekken, en ook eens te spreken over een inzet die in een eenvoudige, maar concrete geloofspraktijk de vriendschap tastbaar maakt? Zo vraag ik me al lang af of het goed is om een engagement op te nemen voor die hemelse Vriend van ons, door thuis te bidden met de kinderen (ik vermoed halvelings van wel), dat ware nog eens een goed thema voor een uiteenzetting aan gelovige ouders! Geen verplichtingen die ‘moeten van de bisschop’, maar verplichtingen die een vriend van God zichzelf oplegt.

De uiteenzetting riep nochtans veel relevante vragen op. Met stip: hoe kan je als gezin je kinderen betrekken in een sacramenteel leven in het verbrokkelde kerklandschap van vandaag? De bisschop wist het ook niet. Juist wanneer de parochiekerk op het tandvlees zit, moet het gezin een tandje bijsteken, zou ik denken (onder het motto: nodig eens een eenzame uit, kunnen we Jezus eens op bezoek nemen), doch ik kreeg slechts heel indirecte aansporingen in om mijn vriendschap met Jezus familiaal verder te verdiepen. Als je vertrekt vanuit te hoge verwachtingen, lijkt het wel alsof God een vriend is voor Wie je je moet schamen… “Ja, ik ken Hem, maar slechts van ver, Hij is geen vriend des huizes.”

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *