Jezuïeten in de bres voor de eucharistie… maar niet heus?

Het jongste Ignis Webmagazine telt zes bijdragen van jezuïeten uit Vlaanderen en Nederland. Vier daarvan even uitgelicht:

Marc Desmet sj getuigt hoe hij het “levensgebed” (f.k.a. gewetensonderzoek) in 2017 herontdekte als “een sterke ervaring van God in zijn leven”, ondanks zijn gehechtheid aan de spiritualiteit van de “‘ignatianen’, die God in alle dingen zoeken en vinden”.

Jos Moons sj betreurt hoe het denken van een theoloog aan banden wordt gelegd door taboes. Hij haalt liberale taboes aan (“Wee wie oppert dat het kerkelijk moreel spreken over seksualiteit zinvolle voorstellen doet. Of dat het goed is elke zondag naar de kerk te gaan.”) en ook conservatieve taboes (“De priesterwijding van de vrouw. De onmogelijkheid daarvan is volgens het leergezag zo helder, dat het geen nadenken meer behoeft. In feite is het helemaal niet zo helder, maar daarover nadenken mag niet.”). 

Gregory Brenninkmeijer sj merkt dat gelovigen met wie hij sprak over de lock-down, de wekelijkse mis wel gemist hebben, “de gemeenschap, de sacrale ruimte, de vertrouwde ordening en rituelen”, maar niet de eucharistie. De lock-down heeft de vraag onder de aandacht gebracht die de Kerk zich al sinds de reformatie had moeten stellen: “Hebben wij de aanwezigheid van de Heer in ons midden te zeer en te uniek toegespitst op de materiële aanwezigheid in de eucharistie?”.

Guido Dierickx sj leert uit de virtuele misvieringen tijdens de lock-down dat ze een essentieel element missen: de lijfelijke aanwezigheid van medegelovigen met wie we gemeenschap vormen: “Want wat wij er vooral van geleerd hebben, is wat eraan ontbreekt en wat de vaak onderschatte rijkdom vormde van de misviering waarbij de gelovigen lijfelijk aanwezig zijn. Of wat althans de rijkdom zou kunnen zijn van die meer traditionele misviering.” 

In allevier deze verhalen vind ik persoonlijk sterke aankopingspunten.

Met Marc Desmet sj die het dagelijks persoonlijk gebed herontdekt, als aanvulling op de wekelijkse eucharistie.

Met Jos Moons sj die het liberale taboe aan de kaak stelt dat rust op traditionele zaken, zoals de zondagsplicht. 

Met Gregory Brenninckmeijer sj die zijn contacten laat getuigen dat ze de wekelijkse liturgische bijeenkomst missen.

Met Guido Dierickx sj die het lijfelijke aspect van de liturgie benadrukt.

Allevier de verhalen drukken uit dat met regelmaat expliciet en exclusief ruimte en tijd geven aan God essentieel is voor het gelovig leven.

Zoals algemeen geweten, is het uiterst moeilijk een jezuïet te betrappen op een ongenuanceerde uitlating, zeker over heikele thema’s. Hoewel deze vier artikelen elk een evenwichtige en genuanceerde opstelling innemen, die ongetwijfeld bedoeld is om de lezer uit te nodigen tot ignatiaanse onderscheiding, heb ik me in de gezamenlijke publicatie toch even verslikt.

Deze vier verhalen bevatten immers ook andere elementen, waarmee ik minder aanknoping kan vinden. Zo netjes naast mekaar gelegd, meen ik zelfs een rode draad te onwaren die doorheen de vier verhalen sluipt. 

Die rode draad is de al dan niet expliciete suggestie dat het allerheiligste sacrament van de eucharistie, deelgenoot te worden aan het lichaam van Christus door de communie, afgedaan heeft als middelpunt van het katholieke geloofsleven. 

In de lectuur van deze merkwaardig geprogrammeerde artikelen heb ik het gevoel dat er een zekere dédain tot uiting komt tegenover gelovigen die in hun geloofsleven nog niet zo ver gevorderd zijn dat ze het ook zonder de sacramenten kunnen stellen, zoals het eigenlijk zou horen.

Ervaring leert me echter dat veel gelovigen, de minder geëvolueerde soort althans, nood hebben aan het voedsel dat Christus ons verschaft in bovennatuurlijke maar tastbare zin, als beginpunt van hun relatie met God. Een levendige persoonlijke gebedspraktijk, het smaken van een diepzinnige homilie, de inzet voor de gemeenschap, zelfs (voor de liefhebbers) het doorwrochten van controversiële theologische themata, hoe waardevol ook, is slechts denkbaar als die eerste nood gelenigd is. 

Het getuigt van een vooruitziende blik om antwoorden te zoeken op de vragen van gelovigen, wanneer de eucharistie in de komende tijd om uiteenlopende redenen, veelal praktisch van aard, onder immer sterkere druk zal komen te staan. Geloven zal onherroepelijk andere vormen aannemen dan ‘wekelijks naar de mis gaan’. Maar hoe dan ook zal de eucharistie het vertrekpunt zijn, zoals dat sinds de christelijke Oudheid het geval is. 


Repliek:

Een mening over “1$s”

  1. In de eucharistie vieren we het mysterie van het lijden de dood en de verrijzenis van Jezus Christus. Het is geen loutere samenkomst van mensen. De Heer zelf roept ons samen tot zijn kerk. Het vieren van de eucharistie zelf constitueert ons tot het Lichaam van Christus: de Totus Christus (Augustinus). De Heer is dus aanwezig in de verzamelde gemeenschap, maar ook in de priester, zijn woord en de geconsacreerde gaven. Intreden in deze dynamiek van de aanwezigheid van de Heer verheft ons als gemeenschap boven ons zelf: hemel en aarde raken elkaar. Uiteraard is de Heer ook aanwezig buiten de eucharistie bv. in hartelijke, liefdevolle menselijke relaties, de schoonheid van de natuur, de stilte van de meditatie… Dit alles neemt niet weg dat in de eucharistische gaven bij uitstek de Heer lijfelijk aanwezig is als ons geestelijk voedsel voor onder weg. Inderdaad: het eucharistisch offer is oorsprong en hoogtepunt van heel het christelijk leven (Dogmatische Constitutie over de Kerk, 11.). – P. Etienne HERREBAUT, OSA.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *