Geloven Leren

Opinie en tools voor wie begaan is met het katholieke geloof


Verlos ons van het Kwaad, in twee catechismussen

Heel de Romeinse Catechismus is nu gedigitaliseerd, maar wie zat daar eigenlijk op te wachten? Wellicht niemand. Toch heb ik er mijn tijd in willen investeren. Deze catechismus stamt uit de zestiende eeuw en tot de jaren ‘80 van vorige eeuw was hij een officiële referentie voor de kerkelijke leer.

Deze catechismus richtte zich in de eerste plaats tot pastoors. Hij verschafte hen wat men nu de ‘homiletische suggesties’ zou noemen: onderwerpen om de zondagspreek in te vullen, die aansluiten bij de lezingen of bij de liturgische kalender. (Die kalender trouwens, is nog ‘work-in-progress’, het vergt heel wat moeite om alle verwijzingen als links te implementeren, en ik zou ook graag nog vermelding maken van de liturgische dagen volgens het lectionarium van de mis van Paulus VI)

Ik wil enkele beschouwingen maken bij die oude catechismus en kies daarvoor het onderwerp van de oorsprong van het kwaad, omdat dit voor veel gelovigen vandaag een moeilijk thema is.

Zinloos lijden, zinloos gebed

Een redenering vanuit het ongerijmde, die ik wel eens hoor, gaat als volgt: God is liefde en goedheid en toch is er kwaad in de wereld. Indien God vanuit zijn almacht in staat zou zijn alles wat er ons overkomt, te besturen, inclusief het kwaad, en indien we vaststellen dat Hij ons toch laat lijden onder zinloos kwaad, volgt daaruit dat God een soort sadist moet zijn. Dat is Hij niet, dus daarom wordt besloten dat Hij, ondanks zijn almacht, niet ingrijpt in ons leven. Gods hand is niet werkzaam in de wereld en zijn aanwezigheid is beperkt tot die van de Geest, die woont in gelovigen en hen aanzet tot liefde. Een volgende conclusie luidt dat het geen zin heeft te verwachten dat een gebed om verlost te worden van concreet lijden zoals ziekte of materiële rampspoed, verhoord zou worden. Met zinloos lijden heb ik het moeilijk, maar met zinloos gebed ook…

Hoe wordt dit vraagstuk in de catechismus benaderd? (ik zal spreken over de Romeinse Catechimus (Trente) als de ‘oude catechismus’ en over de Catechismus van de Katholieke Kerk (Vaticanum II) als de ‘hedendaagse catechismus’)

Maar verlos ons van het kwade

De eerste artikels waar ik te rade ga, zijn die betreffende de zevende bede in het onzevader: “Maar verlos ons van het kwaad”. Zowel in de oude als in de hedendaagse catechismus, is daaraan een apart hoofdstuk gewijd. Het valt alvast op dat de oude catechismus er uitvoeriger en concreter op ingaat dan de hedendaagse.

De romeinse catechismus noemt deze vraag “de samenvatting van al de andere [vragen in het onzevader]". Daarmee wordt bedoeld dat gelovigen hun gebed niet mogen beperken tot deze ene vraag: “En nu zijn er mensen die, als ze pijn hebben in het hoofd, in de zijde of aan de voet, als ze tegenslag hebben in hun zaken, als er gevaar dreigt vanwege hun vijanden, als er hongersnood komt of oorlog of pest, die dan al de andere vragen van het gebed van de Heer verwaarlozen en alleen bidden om verlost te worden van die kwalen. Die gewoonte is in strijd met het bevel van onze Heer Christus : “ Zoekt eerst het rijk van God „. Om goed te bidden moeten we alles terugbrengen tot de glorie van God, ook als we vragen de ellenden, onaangenaamheden en kwalen van ons te verwijderen."

Als gelovigen bidden om verlost te worden van het kwaad, zegt de oude catechismus, moeten ze volledig hun vertrouwen op God stellen: “De ongelovigen vragen ook met aandrang aan God dat ze mogen genezen van hun ziekten en wonden en ontsnappen aan dreigende en nakende kwalen ; doch zij stellen hun voornaamste hoop in de geneesmiddelen die de natuur: of de kundigheid van de mensen hun verschaft. […] Zij die aan Christus toebehoren stellen hun grootste hoop van de gezondheid terug te bekomen niet in de geneesmiddelen, maar betrouwen op God, die de geneesmiddelen gemaakt heeft."

We moeten niet bidden om van alle kwaad verlost te worden, “immers, al wat gewoonlijk als kwaad aanzien wordt is daarom niet werkelijk een kwaad, maar kan integendeel zeer voordelig zijn voor degenen die het onderstaan." Soms kan wat iemand als kwaad ervaart, de ziel tot voordeel strekken en “eens dat men de kracht van die beproevingen kent, draagt men ze ook met de hoogste vreugde ; hoe zou men dan bidden om er van bevrijd te worden ? We bidden dus om verlost te zijn van die kwalen die niet het minste nut bijbrengen voor de ziel, maar niet van diegenen waaruit enig voordeel kan voortvloeien."

Ook wijst de oude catechismus er de gelovigen op dat er aangename zaken zijn, die nadelig zijn voor de ziel en dus tot het kwaad gerekend moeten worden! “we bidden ook dat hetgeen iedereen als goed aanziet : rijkdom, eer, gezondheid, kracht, en het leven zelf, dat dit alles niet tot nadeel van onze ziel zou strekken."

Gods goedheid impliceert niet dat Hij ons van alle kwalen bevrijdt. Sommige beproevingen laat Hij toe, maar dan voorziet Hij wel in vertroostingen: "God wil echter niet dat wij, die nog als bannelingen op aarde verblijven, vrij zijn van alle beproevingen, doch van sommige verlost Hij ons ; en de vertroostingen die Hij soms geeft aan hen die gebukt gaan onder het lijden, staan haast gelijk met de bevrijding van alle kwaad."

Vervolgens gaat de oude catechismus in op de Satan als veroorzaker van het kwaad. Dat besef verplicht de gelovige die onrecht wordt aangedaan, zijn gramschap te richten op de duivel en niet op de naaste die het onrecht heeft aangedaan, voor wiens verlossing uit de klauwen van de duivel juist moet gebeden worden. Over de duivel zegt de oude catechismus dat “hij de oorzaak is van de zonde en de schuld draagt van onze straf”, maar ook dat “God zich bedient van hem om de boosdoeners en misdadigers te straffen, want God zendt aan de mensen al het kwaad over dat zij om hun zonde te lijden hebben."

Een aanstootgevende lering voor de hedendaagse gelovige is ongetwijfeld de concrete bevestiging dat God ons slechts selectief van lijden spaart bij wijze van beproeving en dat God zondaars straft door hen (middels de duivel!) te laten lijden. Dat laatste wordt gestaafd met twee bijbelcitaten: “ Zal er enig onheil in de stad zijn dat van de Heer niet komt ? „ (Amos. III, 6), en “ Ik ben de Heer en er is geen ander : ik vorm het licht en schep de duisternis, ik maak het geluk en schep het kwaad „ (Is. XLV, 6,7).

Ook de laatste passage in het hoofdstuk over de bede “Uw Wil geschiede” bevat een aanstootgevende berusting bij het kwaad dat niet zonder de goddelijke Wil plaatsgrijpt: “Als wij gedrukt gaan onder armoede, ziekte, vervolging, of andere lasten en kwellingen, dan moeten wij overtuigd zijn dat niets van dat alles ons kan overkomen zonder de Wil van God, die de hoogste reden is van alles ; daarom mogen we er niet al te zeer door ontredderd worden, maar met een onwrikbaar gemoed alle beproevingen verdragen, en altijd deze woorden in de mond hebben : “ De Wil van de Heer geschiede „".

In het artikel “En leid ons niet in bekoring” beantwoordt de oude catechismus heel expliciet de vraag “Hoe moet men sommige teksten van de Heilige Schriftuur verstaan, die schijnen te zeggen dat God zelf het kwaad veroorzaakt ?" Het antwoord luidt: "Uit deze en dergelijke teksten moet men niet afleiden dat God zelf het kwaad veroorzaakt had, maar alleen dat Hij het laat gebeuren." Aansluitend daarbij krijgt de gelovige de richtlijn voor het gebed, niet te vragen “om in ’t geheel niet bekoord te worden, want “ het leven van de mens op aarde is een voortdurende bekoring „. Daarbij, de bekoring is nuttig en voordelig voor de mens, want in de bekoringen leren we ons zelf, dit is onze krachten, kennen." en te vragen “dat de goddelijke hulp ons niet zou verlaten in de bekoring, opdat we niet toestemmen door verleiding of bezwijken uit zwakheid, maar dat God ons zijn genade geve die ons in de beproeving zal versterken en verkwikken als onze krachten te kort schieten."

Hedendaagse catechismus

Gaan we—intussen ietwat vertwijfeld—te rade bij de hedendaagse catechismus, vinden we onder het parallelle hoofdstuk slechts vijf artikeltjes waarin een eschatologisch beeld wordt geschetst van het verlossingswerk en de nederlaag van de duivel, door wie zonde en dood in de wereld zijn gekomen. Verder geeft de hedendaagse catechismus echter geen richtlijnen over het gebed of over de macht die God heeft om ons van concreet kwaad te vrijwaren.

Een notie over gewild kwaad in de hedendaagse catechismus is te vinden in het vorige hoofdstuk over de bede “Leid ons niet in bekoring”: “De Heilige Geest doet ons onderscheid maken tussen de beproeving, die noodzakelijk is voor de groei van de inwendige mens met het oog op een “beproefde deugd” en de bekoring, die leidt tot de zonde en tot de dood."

Elders spreekt de hedendaagse catechismus over de “zondestraffen”, die niet door God worden opgelegd, maar uit de zonde zelf voortvloeien: “Deze […] straffen moeten niet beschouwd worden als een soort wraakneming die God van buitenaf oplegt, maar als iets wat uit de aard van de zonde zelf voortvloeit."

Veel uitvoeriger gaat de hedendaagse catechismus in op de oorsprong van het kwaad, in het hoofdstuk over het eerste artikel van de geloofsbelijdenis, dat handelt over de zondeval, de erfzonde en de val van de engelen. Ook hier is de hedendaagse catechismus minder concreet en bijna uitsluitend gericht op het morele kwaad.

Het fysieke kwaad behandelt de nieuwe catechismus in de artikels over de goddelijke voorzienigheid: “Als God de almachtige Vader, Schepper van de geordende en goede wereld, voor al zijn schepselen zorgt, waarom bestaat dan het kwaad? Op deze even klemmende als onvermijdelijke, deze even smartelijke als mysterieuze vraag kan niet vlug een afdoend antwoord gegeven worden. Het geheel van het christelijk geloof vormt het antwoord op deze vraag: de goedheid van de schepping, het drama van de zonde, de geduldige liefde van God die de mens tegemoet komt door verbintenissen die Hij telkens met hem sluit, door de verlossende menswording van zijn Zoon, door de gave van de Geest, door de gemeenschap van de kerk, door de kracht van de sacramenten, door de roeping tot een gelukzalig leven waarmee de vrije schepselen op uitnodiging van God van tevoren hun instemming kunnen betuigen, maar waaraan zij zich ook door een verschrikkelijk mysterie, van meet af aan kunnen onttrekken. Er is geen enkel aspect van de christelijke boodschap dat niet voor een gedeelte een antwoord is op het probleem van het kwaad."

Al bij al gaat de hedendaagse catechismus dus diep in op het vraagstuk over de oorsprong van het kwaad. De antwoorden bevatten nuances die zeer gelijklopend zijn met die uit de oude catechismus, maar ze zijn van een heel andere aard. Wat de nieuwe catechismus doet is m.i. een oefening in ‘negatieve theologie’: we kunnen het kwaad slechts begrijpen in de mate waarin we de verlossing begrijpen, als een soort van noodzakelijke tegenpool daarvan. Het is dus de oude catechismus waarin de concrete pastorale antwoorden gezocht moeten worden op de vraag of het zinvol is te bidden om gevrijwaard te worden van kwaad en hoe we Gods antwoord op ons gebed kunnen begrijpen.

Rationalisme en eschatologie

Ik sta altijd versteld hoe de hedendaagse mens, die graag pretendeert een deterministische, wetenschappelijke ingesteldheid te hebben, zo blijft steken in onbepaaldheden als het op de theologie aankomt. De oude catechismus is op dat vlak veel rationeler ingesteld. Zelfs kwaad, waarvoor de hedendaagse mens geen verklaring vindt en het daarom maar afdoet als ‘zinloos’ en ‘buiten de Wil van God’, werd in de oude catechismus op een of andere manier in het goddelijk plan ingepast. Zij het van de Satan die Gods werk weerstreeft, zij het een gevolg van de erfzonde van de eerste mens, zij het een straf, niet bewerkt, maar toch toegelaten door God, niets gebeurt ‘zomaar’ volledig buiten God om. Echter erkennen dat het kwaad op een of andere manier betekenis heeft, wil echter niet zeggen dat het ons zou gegeven zijn die te begrijpen, zelfs niet in de oude catechismus!

Omdat we het kwaad niet begrijpen, zijn we bang God een sadist te noemen, als we op een of andere manier dat kwaad in zijn scheppings- en verlossingsplan een plaats zouden proberen geven. Dus maken we er ‘zinloos’ of ‘willekeurig’ kwaad van. Pleiten we God daarmee vrij van al het onheil dat ons overkomt? Misschien wel. Helpt het ons een diepere relatie met Hem op te bouwen? Daar ben ik niet zeker van. We verplichten onszelf immers tot een minder directe, minder persoonlijke relatie wanneer we belangrijke vragen zoals deze, die ons het meest tot gebed aanzetten, verbannen tot eschatologische sferen, of wanneer we onszelf geroepen voelen Hem te verontschuldigen.

Uiteindelijk stel ik me wel de vraag of het veel zou helpen te begrijpen waar het kwaad vandaan komt. Of het al dan niet door God is gewild, dan wel toegestaan, of het een beproeving is, dan wel een bekoring, zal tot aan onze opstanding een mysterie blijven. De belangrijke vraag is hoe we ermee omgaan. Daarbij kan het vertrouwen in Gods voorzienigheid en het gebed niet anders dan een sterk wapen zijn, want we kunnen alle hulp goed gebruiken!