Geloven Leren

Opinie en tools voor wie begaan is met het katholieke geloof


Abortus is zo middeleeuws!

Abortus is het vermoorden van een mens. Euthanasie is het vermoorden van een mens. Hoe je het ook draait of keert, je komt altijd uit op dezelfde, directe, doelbewuste en onomkeerbare daad. Subjectief en in concrete gevallen vallen er nuances te leggen. Hoe kunnen die echter ooit verdoezelen wat er werkelijk gebeurt?

Voorstanders van die praktijken vergoelijken de moord als een daad van mensenliefde jegens het slachtoffer. De stervende wordt een leven(seinde) bespaard dat gekenmerkt zal zijn door lijden. Het kind wordt een leven bespaard in een gezin (vaak een een-oudergezin) dat niet de middelen of de wil heeft om het groot te brengen. De onmogelijkheid om in primaire levensbehoeftes te voorzien, vernietigt de waarde van het leven. De logica van dit argument wordt evenwel nooit doorgetrokken, want hoewel de individuele mens de mogelijkheid ontbreekt het leven kwalitatief waarde te geven, zonder daaraan zelf schuld te hebben, wordt zelden de vraag gesteld of die schuld niet gedragen wordt door manco’s in de samenleving; diezelfde samenleving die op uiterst cynische wijze vervolgens de dood als oplossing aanreikt.

Hoewel dit argument de dood als daad van mensliefde probeert voor te stellen, blijft het een oplossing die voortkomt uit het afwegen van verschillende vormen van kwaad. In die zin is die argumentatie eerlijker dan de retoriek die vandaag meestal gehanteerd wordt, die de dood verheft tot de status van een ‘recht’. Het vermoorden van een zieke of van een kind hoeft nu niet langer als een vorm van kwaad afgewogen te worden tegen het potentiele lijden waaraan het slachtoffer onderhevig zal zijn. Deze vormen van moord krijgen een morele status die intrinsiek goed is, als manifestaties van een meer algemeen basisrecht: de menselijke vrijheid. Eens die stap genomen is, wordt elke ethische afweging in het debat een eenrichtingsstraat die hoogstens kan gaan over de omkaderende voorwaarden, maar nooit meer terug kan keren tot fundamentele morele vragen.

De stelling dat de dood een ‘recht’ uitmaakt, is geen logische stap in een ethisch debat, het is een dogmatische verklaring van een bepaalde uitkomst van het debat. Rechten zijn algemene beginselen die aan de basis kunnen liggen van ethische onderscheidingsprocessen, maar een ‘recht’ dat automatisch moord impliceert, past bezwaarlijk in die kategorie.

Onderscheiding berust op het oordeelkundig afwegen van verschillende vormen van goed en kwaad, niet op de blindelingse toepassing van dogma’s. Dat impliceert dat moelijke problemen, waarbij geen eenduidige ‘goede’ uitkomst vindbaar is, kunnen uitmonden in een overwogen keuze voor ‘het minste kwaad’. De eerlijkheid gebiedt dit kwaad alsdusdanig te benoemen, al is het maar om buitenstaanders niet de illusie te geven dat dit kwaad, door de onvermijdelijkheid van de keuze, plots een goed is geworden.

De steeds nieuwe ‘basisrechten’ die worden afgekondigd, zijn eigenlijk ethische standpunten waarover men niet langer wenst te discussieren. Ik zou het niet noodzakelijk een zaak van slechte wil noemen, bij velen is het (hopelijk) slechts een vermoeidheid die optreedt wanneer je keer op keer voor hetzelfde dilemma geplaatst wordt dat je niet fundamenteel kan oplossen omdat je geen vat hebt op de dieperliggende oorzaken. Is dat echter een voldoende reden om het lapmiddel tot algemene oplossing te verheffen?

Toevallig was ik de laatste dagen bezig met het digitaliseren van quaestiones 1 tot 16 uit de secunda secundae van St. Thomas' Summa, die handelen over het geloof. Hoe interessant zou het niet zijn te kunnen discussieren met St. Thomas over het derde artikel van zijn elfde kwestie “moet men de ketters dulden”? Hij zet het principe van christelijk mededogen opzij en strijkt moderne lezers tegen de haren door expliciet te pleiten voor het ter dood veroordelen van ketters (uit te voeren door de burgelijke overheden, weliswaar). Hij argumenteert dat een valsmunter de doodstraf krijgt, alhoewel diens zonde veel kleiner is dan die van een ketter, die het zieleheil van de hele gemeenschap in het gevaar brengt. Ook St. Thomas weegt verschillende vormen van kwaad tegenover mekaar af, zoals het een nette ethicus betaamt. Of zijn het toch de talrijke mistoestanden in de samenleving van zijn dertiende-eeuws Europa die hem verleiden tot een gedachtengang die verrassend hedendaags is?