Geloven Leren

Opinie en tools voor wie begaan is met het katholieke geloof


Helpt de synode de Kerk 'uit de kast' komen?

Uit de kast komen, is je schaamte overwinnen en uitkomen voor wie je bent, wetende dat je niet door iedereen aanvaard zal worden.

Het proces dat daaraan voorafgaat, is jezelf ontdekken, stap voor stap onderscheiden welke onveranderlijke kenmerken je eigenheid uitmaken en welke daarvan je naar buiten toe wil bevestigen.

Ik denk dat met de Synode over Synodaliteit paus Franciscus zo’n proces wil toepassen op de Kerk. Zoals we immers zondag in het epistel lazen, is de Kerk ook een lichaam: wij allen vormen samen een lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Dat lichaam, het samen-onderweg-zijn van alle gelovigen, gaat nu twee jaar lang nadenken over de kenmerken van zijn eigenheid. Stap voor stap, synode na synode, zullen die kenmerken duidelijker worden. Zo kan de Kerk stilaan uit de kast komen en ‘zijn wie ze echt is’.

Het is slechts een vergelijking, die ik hier toepas op een veranderingsproces dat in de geschiedenis van de Kerk al talloze keren heeft plaatsgevonden. De Kerk heeft dat nodig, niet omdat zijzelf verandert, maar omdat de wereld verandert. Ik vind de vergelijking treffend, omdat ‘uit de kast komen’ impliceert dat je vertrekt vanuit een toestand van schaamte en geveinsdheid, gevolg van een eigenheid die je in jezelf herkent, maar die niet aanvaard wordt door je omgeving.

Ik herken die toestand in de Kerk.

Het lichaam, dat Kerk heet, kent schaamte en geveinsdheid. Te weten komen waarover iemand zich schaamt, is moeilijk, want het onderwerp van iemands schaamte is juist datgene waarover je hem niet spontaan zal horen spreken. Welnu, waarover hoor je de Kerk verrassend weinig spreken?

Over verrijzenis

Een tijd geleden op een herdenkingsviering voor overledenen van het afgelopen jaar, geen enkele verwijzing naar verrijzenis of eeuwig leven gehoord. Laatst op een begrafenis hetzelfde. Dan denk ik: waar schamen we ons voor?

Het meest troostrijke aan zo’n vieringen, vind ik te kunnen bidden voor het zieleheil van wie ons ontvallen is, maar blijkbaar is dat not done.

Wat denkt de Kerk eigenlijk in haar diepste zelf over die verrijzenis, die haar zo eigen is?

Verrijzenis in oud testamen en evangelie

Het is niet zo dat de Bijbel, een van de belangrijkste tekstbronnen van ons geloof, bulkt van de uitspraken over onze persoonlijke verrijzenis, als je de verwijzingen naar Christus' verrijzenis niet in rekening neemt en de wonderbare verrijzenissen. Maar het zijn er alles bijeen toch heel wat!

(Alle citaten zijn overgenomen uit de Petrus-Canisiusbijbelvertaling)

In het oude testament staat bij Jesaja:

“Maar laat uw doden herleven, Hun gestorven lichamen verrijzen! Laat ze ontwaken en juichen, Die in het stof zijn begraven."

en bij Hosea:

“Na twee dagen zal Hij ons doen herleven, De derde dag doen verrijzen, opdat wij leven voor zijn aanschijn!"

en bij Jona:

“Tot de grondvesten der bergen daalde ik af, Naar het gewest met zijn eeuwige grendels; Maar Gij hebt mij uit het graf doen verrijzen, Jahweh, mijn God!"

en bij Job:

“Ik weet, dat mijn Verlosser leeft, En ten leste op de aarde verschijnt; 26 Dat ik mij zal oprichten achter mijn huid, En van mijn vlees uit, God zal aanschouwen!"

In Makkabeen getuigen de zeven zonen van de verrijzenis, wanneer ze samen met hun moeder de marteldood sterven onder koning Antiochus IV van het Seleucidische rijk:

“Ontaarde booswicht, ge ontneemt ons wel het tijdelijke leven, maar de Koning der wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, opwekken tot de verrijzenis van het eeuwig leven!" en “Het is een troost, door mensen te worden gedood, als wij van God mogen hopen en verwachten, dat Hij ons weer doet verrijzen. Maar voor u zal er geen verrijzenis ten leven zijn."

Verderop leren we dat Judas Makkabeus, de priester en verzetstrijder, opdraagt te bidden voor zijn soldaten, die in zonde gesneuveld waren, omdat hij geloofde dat zij dit gebed nodig hadden wanneer zij zouden verrijzen:

“Vervolgens liet hij onder de soldaten een collecte houden, die tweeduizend drachmen opbracht. Hij zond het geld naar Jerusalem, om een offer voor de zonde te laten opdragen. Dit was een zeer goede en edele daad, daar hij aan de verrijzenis dacht. Want als hij niet had verwacht, dat de gesneuvelden zouden verrijzen, dan zou het nutteloos en dwaas zijn geweest, voor de doden te bidden. Bovendien overwoog hij, dat hun, die godvruchtig zijn ontslapen, een heerlijke beloning te wachten staat. Inderdaad, een heilige en vrome gedachte! Daarom liet hij voor de doden een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonde zouden worden verlost."

In het boek Tobit spreekt de engel Rafael over eeuwig leven:

“Bidden en vasten is een voortreffelijk werk, en aalmoezen geven is meer waard, dan schatten gouds te verzamelen. Want de aalmoes redt van de dood; zij is het, die reinigt van de zonden, en barmhartigheid en eeuwig leven doet vinden."

Ook in het boek Wijsheid komt het eeuwig leven ter sprake:

“Maar de rechtvaardigen blijven eeuwig leven; Bij den Heer vinden zij hun loon, De Allerhoogste zorgt voor hen. 16 Daarom zullen zij het rijk der glorie ontvangen, En een heerlijke kroon uit de hand van den Heer; Want Hij beschermt hen met zijn rechterhand, En beschut hen met zijn arm."

Er zijn bij de synoptici, behalve wanneer Jezus spreekt over verrijzenis wanneer de sadduceën hem ondervragen, enkele passages waarin Jezus de verrijzenis verwoordt volgens de gedachte van algemene opstanding, die reeds in het jodendom leefde, dus niet meteen gekoppeld aan zijn wederkomst.

Bij Lucas: “Dan zult ge gelukkig zijn, omdat ze het u niet kunnen vergelden; want dan zal men het u bij de opstanding der rechtvaardigen vergelden." Bij Johannes: “Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen; en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding ten oordeel."

Elders geven de synoptici ook een visie op de komst van de Mensenzoon op het einde der tijden, bv. bij Marcus:

“Dan zal men den Mensenzoon op de wolken zien komen met grote macht en majesteit. Dan zal Hij zijn engelen zenden, en Hij zal van de vier windstreken zijn uitverkorenen verzamelen, van het einde der aarde tot aan het einde des hemels."

Bij Mattheus krijgen we het daaropvolgende tafereel van de scheiding van de bokken en de schapen:

“Wanneer dan de Mensenzoon in zijn heerlijkheid komt, en alle engelen met Hem, zal Hij plaats nemen op de troon zijner majesteit. En alle volkeren zullen vóór Hem worden vergaderd: maar Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder scheiding maakt tussen schapen en bokken. En de schapen zal Hij aan zijn rechterhand plaatsen, de bokken aan zijn linkerhand."

Onder de evangelisten is het echter bij uitstek Johannes die de verrijzenis behandelt. Jezus wijdt uit over de opstanding in het algemeen, niet enkel de zijne, bij de verrijzenis van Lazarus, in de vergelijking van de schaapstal, wanneer hij zicht verantwoordde tegenover de joden en in zijn rede na de broodvermenigvuldiging:

“Uw broer zal verrijzen. […] Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; en wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit?"

“Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze, en ze volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwig leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren, en niemand rooft ze weg uit mijn hand."

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie luistert naar mijn woord, en in Hem gelooft, die Mij heeft gezonden, hij heeft het eeuwige leven, en in het gericht komt hij niet; maar hij is overgegaan van de dood tot het leven. — Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Er komt een uur, en het is er reeds, waarin de doden de stem van Gods Zoon zullen horen; en die er naar luisteren, zullen herleven. Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan den Zoon, het leven in Zichzelf te hebben. Ook gaf Hij Hem macht, om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is. Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen; en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding ten oordeel."

“Want Ik ben uit de hemel neergedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij heeft gezonden. Welnu, dit is de wil van Hem, die Mij heeft gezonden, dat Ik niets verloren laat gaan van wat Hij Mij heeft gegeven, maar dat Ik het op de jongste dag doe verrijzen. Dit is de wil van den Vader, die Mij gezonden heeft, dat wie den Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft, en dat Ik hem op de jongste dag zal doen verrijzen. […] Niemand kan tot Mij komen, zo de Vader, die Mij zond, hem niet trekt; en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen. Er staat geschreven bij de profeten: “En allen zullen zij onderricht worden door God”. Wie naar den Vader luistert en door Hem is onderricht, hij komt tot Mij. Niet dat iemand den Vader gezien heeft; alleen Hij die van God stamt, Hij heeft den Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft het eeuwige leven. Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, en ze zijn gestorven. Dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt: eet men daarvan, dan sterft men niet. Ik ben het levend brood, dat uit de hemel is neergedaald; zo iemand eet van dit brood, zal hij in eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik zal geven, is mijn vlees voor het leven der wereld. […] Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo gij het vlees van den Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem op de jongste dag doen verrijzen."

Verrijzenis in de Handelingen en de brieven

In de Tessalonicenzenbrief (51 AD) biedt Paulus ons een concrete eschatologische visie aan:

“Want zo wij geloven, dat Jesus gestorven is en verrezen, dan geloven wij ook, dat God hen, die in Jesus ontsliepen, zal terugvoeren met Hem. Want dit zeggen wij u op ‘s Heren woord: Wij die leven en achter blijven tot ‘s Heren komst, wij zullen de ontslapenen zeer zeker niet vóór gaan. Want op een teken, op het geroep van den Aartsengel en de bazuinstoot van God, zal de Heer zelf uit de hemel nederdalen, en allereerst zullen zij verrijzen, die stierven in Christus; eerst dan zullen wij, die leven en achterblijven, tezamen met hen worden weggevoerd op de wolken, den Heer tegemoet in de lucht. En zó zullen wij altijd bij den Heer blijven."

In de Korintiersbrief (56 AD) houdt Paulus een volwaardig pleidooi voor het geloof in de algemene opstanding:

“Welnu, indien van Christus gepreekt wordt, dat Hij van de doden is verrezen, hoe kunnen dan sommigen onder u zeggen: De opstanding der doden is onmogelijk? Indien de opstanding der doden onmogelijk is, dan is ook Christus niet verrezen. Maar zo Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof. Dan blijken we bovendien valse getuigen van God te zijn; want we hebben van God getuigd, dat Hij Christus heeft opgewekt; terwijl Hij Hem niet opgewekt heeft, zo er inderdaad geen doden verrijzen. Want zo er geen doden verrijzen, dan is ook Christus niet verrezen. Maar zo Christus niet is verrezen, dan is uw geloof zonder nut, en zijt gij nog in uw zonden; dan zijn ook zij verloren, die in Christus ontsliepen. Zo we alleen voor dit leven onze hoop stellen op Christus, dan zijn we de meest beklagenswaardige van alle mensen. Maar neen, Christus is van de doden verrezen, als Eersteling onder hen, die ontslapen zijn. Want omdat door een mens de dood is gekomen, daarom ook is door een Mens de opstanding der doden. Zoals allen immers sterven door hun gemeenschap met Adam, zo zullen ook allen door hun gemeenschap met Christus herleven."

Hij vervolgt met een meer uitgewerkte versie van zijn visie op de laatste dag en de verrezen lichamen:

“Gebruikt uw nuchter verstand, zoals het behoort, en zondigt niet. Want er zijn er, die van God geen begrip hebben. Ik zeg het tot uw beschaming. Maar, zal iemand zeggen: Op welke wijze verrijzen de doden; met wat voor lichaam komen ze terug? Gij dwaas! Wat ge zelf zaait, wordt niet levend, zo het niet gestorven is; bovendien wat ge zaait, is niet de uitwendige gestalte, die te voorschijn treedt, doch een naakte korrel, bijvoorbeeld van graan of iets anders; maar God geeft er een gestalte aan, zoals het Hem behaagt, en wel aan ieder zaad zijn eigen gestalte. Alle vlees is niet hetzelfde; maar anders is dat van mensen, anders dat van het vee, van vogels en vissen. Er zijn hemellichamen en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse. Anders is de glans van de zon, anders de glans van de maan, anders de glans van de sterren; zelfs de ene ster verschilt van de andere in glans. Zo is het ook met de opstanding der doden: Het wordt gezaaid in bederf, Het verrijst onbederflijk. Het wordt gezaaid in oneer, Het verrijst in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, Het verrijst in kracht. Een ziele-lichaam wordt gezaaid, Een geestelijk lichaam verrijst! Bestaat er een ziele-lichaam, er bestaat ook een geestelijk lichaam. Aldus staat er ook geschreven: “De eerste mens Adam werd een levende ziel;” de laatste Adam een levendmakende Geest. Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke. De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede Mens is uit de hemel. Welnu, zoals de aardse was, zo zijn ook de aardse; zoals de Hemelse was, zo zullen ook de hemelse zijn; en zoals we de gestalte van den aardsen hebben gedragen, zo moeten we ook de gestalte van den Hemelsen dragen. Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen geen deel hebben aan het koninkrijk Gods, en het bederf heeft geen deel aan het onbederflijke. Zie ik deel u een geheimenis mee: Niet allen zullen wij ontslapen, maar wel allen van gedaante veranderen; plotseling, in een oogwenk, bij de laatste stoot der bazuin. Want zodra de bazuin zal schallen, zullen de doden verrijzen, onbederflijk, maar wij van gedaante veranderen."

In de Romeinenbrief (57 AD) spreekt Paulus over onze verrijzenis, maar hier gebruikt hij dit eerder als een beeld voor de bekering:

“In die gemeenschap met zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van den Vader uit de doden is opgewekt. Want wanneer wij met Hem zijn saamgegroeid door het beeld van zijn Dood, dan zullen we het ook wezen door dat van zijn Verrijzenis."

Nochtans spreekt hij hier elders ook over het oordeel tot eeuwig leven:

“Hij zal ieder naar zijn werken vergelden: Het eeuwig leven aan hen, die door volharding in het goede, naar glorie en eer en onsterflijkheid streven; maar toorn en gramschap aan hen, die door hun partijzucht ongehoorzaam zijn aan de waarheid en luisteren naar de ongerechtigheid. Kommer en angst naar de ziel voor iederen mens, die het kwade verricht, eerst voor den Jood en dan voor den Griek; glorie, eer en vrede voor ieder, die het goede verricht, eerst voor den Jood, en dan voor den Griek."

In de Handelingen is het Paulus die van de verrijzenis getuigt in zijn verdediging tegenover procurator Felix (57 AD):

“Maar dit beken ik u wel: Ik dien den God onzer vaderen volgens de richting, die zij ketterij gelieven te noemen, ofschoon ik toch alles geloof, wat in de Wet en de Profeten geschreven staat. Op God heb ik de hoop gebouwd, die ze zelf ook delen, dat er een verrijzenis zal zijn van rechtvaardigen en onrechtvaardigen."

In de Kollosenzenbrief (60 AD) is dan weer eerder sprake van een allegorische verrijzenis:

“Want met Hem zijt gij door het Doopsel begraven, met Hem zijt gij ook verrezen door het geloof in de almacht van God, die Hem uit de doden heeft opgewekt. Ook u, die dood waart door uw zonden en door uw onbesneden vlees, heeft Hij levend gemaakt tezamen met Hem; Hij heeft ons alle zonden vergeven."

In de Filippenzenbrief (62 AD) lijkt hij het overdrachtelijke beeld te combineren met een waararchtig verrijzenisgeloof:

“Zó wilde ik Hem leren kennen, de kracht ook zijner Verrijzenis en de gemeenschap met zijn Lijden; zó wilde ik gelijkvormig worden aan zijn Dood, om eenmaal te kunnen komen tot de opstanding uit de doden."

(Over de datering van Paulus' brieven bestaat onenigheid, ik heb ter illustratie deze van het net geplukt)

Ook Johannes schrijft in zijn eerste brief meermaals over eeuwig leven, blijkbaar in overdrachtelijke zin:

“Ja waarlijk, het Leven is verschenen en wij hebben het gezien; en wij leggen getuigenis af en brengen u de boodschap van het eeuwig Leven, dat bij den Vader was en aan ons is verschenen;" en “En dit is dan de belofte, die Hij ons heeft gegeven: het eeuwig leven." en “We weten, dat we uit de dood tot het leven zijn overgegaan, omdat we de broeders beminnen; die niet bemint, blijft in de dood. Wie zijn broeder haat, is een moordenaar; en gij weet, dat geen moordenaar het eeuwig leven behoudt." en “En dit is de getuigenis: God heeft ons het eeuwig leven geschonken; en dat leven is in zijn Zoon." en “Dit alles heb ik u geschreven, opdat gij weten moogt, dat gij het eeuwig leven bezit, zo gij gelooft in de naam van den Zoon van God."

Het boek Openbaringen is een genre apart, integraal toegewijd aan een eschatologisch visioen, waaruit dit bekende beeld:

“Zie, daarna zag ik een overgrote menigte, die niemand kon tellen, uit alle volken en stammen, naties en talen. Ze stonden voor de troon en het Lam, in witte klederen gehuld, met palmtakken in hun handen."

Schaamte en geveinsdheid

Alles bij mekaar genomen, mag toch wel worden gezegd dat het idee van onze eigen verrijzenis in de Bijbel genoeg grondslag vindt om in het geloof van de Kerk ernstig genomen te worden.

Waarom wordt er in de kerk zo weinig over onze verrijzenis gesproken? Ik denk dat dit terug te voeren is tot schaamte en geveinsdheid.

Schaamte. We kunnen veel elementen van de christelijke leer (zoals het ontvangen van vreemdelingen) gemakkelijk aannemelijk maken bij een breed publiek, maar als je er metafysische elementen bijhaalt, zoals de verrijzenis, haken de mensen heel snel af. Als je begint te redeneren over de verrijzenis, komt automatisch ook het thema van het oordeel naar boven en andere akelige concepten zoals hel en vagevuur, en dan wordt het snel minder leuk discussiëren.

Geveinsdheid. Onze verrijzenis is in de Bijbel beschreven in moeilijk te begrijpen taal. Het is dan ook een groot mysterie. Zelfs Jezus' eigen verrijzenis blijft gehuld in geheimen, omdat de Bijbel wel zijn verschijningen beschrijft, maar niet de verrijzenis zelf. Ook Paulus heeft het er moeilijk mee en beschrijft de verrijzenis als een overgang naar een geestelijk lichaam, dat buiten onze zintuigelijke wereld staat, en hij doet dit voordat Johannes zal beschrijven hoe Jezus Thomas uitnodigt de vinger in de wonde van zijn zijde te leggen. Hoeveel mysterieuzer is dan niet onze eigen verrijzenis! Het is moeilijk oprecht te spreken over iets waarop je geen vat hebt. Als je erover spreekt, heb je het gevoel dat je iets voorhoudt waarover je eigenlijk geen kennis hebt, dus spreek je er liever niet over en doe je alsof het slechts bijzaak is.

Die schaamte om over verrijzenis openlijk te spreken, is even oud als de geloofsverkondiging zelf. Mijn kleine hypothese is immers dat Paulus ook al aanvoelde dat zijn visie op de verrijzenis niet overal even goed aan zou slaan en in zijn Kolossenzenbrief (een vnl. niet-joods publiek) heel handig de verrijzenis verwoordt als een metafysische metafoor voor de verandering die het geloof teweegbrengt in dit leven:

“Want met Hem zijt gij door het Doopsel begraven, met Hem zijt gij ook verrezen door het geloof in de almacht van God, die Hem uit de doden heeft opgewekt. Ook u, die dood waart door uw zonden en door uw onbesneden vlees, heeft Hij levend gemaakt tezamen met Hem; Hij heeft ons alle zonden vergeven."

Dit in tegenstelling tot theologen die er graag een evolutie in het geloof van Paulus in ontwaren.

Dit beeld voor wat verrijzenis betekent, wordt tot op heden dankbaar gehanteerd om zonder teveel risico over verrijzenis te kunnen spreken, bijvoorbeeld in deze catechese van paus Franciscus: “Maar, let op! Verrijzenis is niet slechts het feit van het opstaan na de dood, het is een nieuw soort leven dat we vandaag al ervaren. Het is de overwinning op het niets die we al kunnen voorproeven."

In de loop van twee millennia traditie heeft de Kerk nochtans een heel theologisch repertorium ontwikkeld om wel te kunnen redeneren over onze verrijzenis, met welomlijnde begrippen die het mysterie min of meer hanteerbaar maken: Oordeel, Hemel, Hel en Vagevuur. Die concepten maken tot op vandaag deel uit van de catechismus. In zijn encycliek Spe Salvi (2007) heeft paus Benedictus XVI nog—heel voorzichtig—getracht deze begrippen te actualiseren in hedendaagse denkbeelden, wellicht vanuit dezelfde waarneming dat de uitersten dode stof zijn in het katholieke discours.

Terug naar de synode

Waar ik nu naartoe wil, is de Kerk uit te dagen, als mystiek lichaam van Christus, om ook in de eenentwintigste eeuw te trachten ‘uit de kast te komen’. Als de synode tot doel heeft dat de Kerk gaat onderscheiden welke onveranderlijke kenmerken haar eigenheid uitmaken, is de verrijzenis er daarvan beslist één, en niet beperkt tot de gemakkelijk te verteren Kolossenzenversie.

Een licht ironische blogpost over het voorbereidend document van de synode zette me tot dit artikel aan, omdat ‘verrijzenis’, evenmin als een trits andere kernbegrippen van het geloof, niet tot de gespreksonderwerpen blijkt te behoren. Schaamte en geveinsdheid zijn niet fraai, want je ontkent ermee naar de buitenwereld wie je echt bent. Zet je je echter vast in die toestand, dreigt de ontkenning zich van je meester te maken, en dan geloof je zelf niet meer wie je bent. Voor de Kerk zou dat betekenen dat haar ledematen, wij dus: de gelovigen, zelf niet meer kunnen geloven in de verrijzenis. Als zelfs in een liturgie voor allerzielen of bij een begrafenis niet meer over verrijzenis gesproken wordt, is dat een slecht teken, want liturgie zou de vrijplaats bij uitstek moeten zijn, waar woorden die ons begrip overstijgen uitgesproken mogen worden. Als spreken over onze verrijzenis daar niet meer kan, hoe zouden we ze dan in ons dagelijks leven nog een plaats kunnen geven?

Alles wat we vanuit het geloof verkondigen over Gods rechtvaardigheid, barmhartigheid en liefde is terug te voeren tot die verrijzenis. Slechts door de verrijzenis op de laatste dag in ons denken en spreken te integreren, krijgen we genoeg houvast om te komen tot een persoonlijke verrijzenis in dit leven. Het is metafysica in de ware zin: niet zomaar willekeurig nadenken over bovennatuurlijke zaken, maar over hoe de bovennatuurlijke beginselen het leven vorm geven.

Als we door de synode weer ontdekken wat het is om ‘samen op weg’ te zijn, laat ons dan ook in vertrouwen leren spreken over de eindbestemming van die weg.