Geloven Leren

Opinie en tools voor wie begaan is met het katholieke geloof


Vrijheid is het buzzword van het katholieke geloof, maar hoe zit dat in de Bijbel?

Het christelijk geloof bevrijdt. Deze zin hoor je vaak, maar even vaak heb ik me al afgevraagd: bevrijden waarvan? Is het antwoord “van de zonde”? Of is het antwoord “van de Wet”? Of juister “van de wet van de zonde”, zoals Paulus het geheimzinnig formuleert?

De bijbel is de belangrijkste vrucht van de Traditie die we kunnen gebruiken om daarop een licht te schijnen, dus dat is een eerste benadering, waarmee dit artikel gevuld wordt.

Het is een sleur om dit thematisch te benaderen aan de hand van de overbekende parabels van de verloren zoon of van de talenten, of om te verwijzen naar de discussies tussen Jezus en de farizeeën over wat er wel of niet op de sabbat toegelaten is.

Vrijheid in het Oude Testament

Ik hanteer een andere methode, die zeker niet de beste is, maar soms een onverwachte invalshoek oplevert. Via deze website kan je de volledige tekst van de bijbel op één enkele webpagina tonen en dat is heel handig om te zoeken op trefwoorden, gewoon via de zoekfunctie van je browser. Ik zocht op ‘vrij’ en hier is een overzicht van de hoofdstukken waar deze term (of afgeleide termen) vaak voorkomt:

  • Ex 6 Ik ben Jahweh! Ik zal u bevrijden van het juk van Egypte, u uit de slavernij verlossen
  • Lev 25 Zo moet ge het vijftigste jaar heiligen! Ge moet in het land bevrijding afkondigen voor al zijn bewoners; het is een jubeljaar voor u, waarin ieder van u in zijn bezit moet worden hersteld en naar zijn familie kan terugkeren.
  • Num 35, Joz 21, 1 Kron 6 De steden, die gij aan de Levieten moet afstaan, zullen vooreerst de zes vrijsteden zijn, die gij als vluchtplaats moet aanwijzen voor hem, die iemand heeft gedood; en daarenboven moet ge hun nog twee en veertig andere steden afstaan.
  • Deut 15, Jer 34 Wanneer uw volksgenoot, een hebreeuwse man of vrouw, zich aan u verkoopt, dan zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar moet ge hem vrijlaten. het zevende jaar
  • Ps 50 Niet om uw offers spreek Ik u vrij, Of om uw brandoffers, Mij zonder ophouden gebracht. […] Wie een loflied offert, eert Mij waarachtig, En wie deugdzaam leeft, hem toon Ik Gods heil!
  • Ps 51 Bevrijd mij van bloedschuld, o Jahweh, God van mijn heil, En mijn tong zal uw barmhartigheid loven; Open mijn lippen, o Heer, En mijn mond verkondigt uw lof. Neen, slachtoffers behagen U niet, En zo ik U brandoffers bracht, Gij zoudt ze niet willen; Maar een vermorzeld gemoed is een offer voor God, Een verbrijzeld en deemoedig hart versmaadt Gij niet, o mijn God!
  • Ps 130 Mijn ziel schouwt hunkerend naar zijn belofte, Mijn ziel smacht naar den Heer; Meer dan wachters naar de morgen, Ziet Israël naar Jahweh uit. Want bij Jahweh is ontferming, En overvloed van verlossing; Hij zal Israël bevrijden Van al zijn zonden!

Dit waren de passages uit het Oude Testament. De oogst is niet bijzonder groot: echt veel wordt er in deze lijvige boeken niet over ‘vrijheid’ gesproken. Ook als je zoekt op synoniemen als ‘verlossing’, verandert het plaatje niet. Wel interessant is hoeveel verschillende soorten vrijheid behandeld worden.

Je hebt de politieke vrijheid uit Exodus: het volk dat wordt bevrijd uit slavernij. Dat thema verwachtte ik, maar met veel meer treffers. In de andere boeken van de pentateuch vind je joodse bepalingen over structurele vrijspraak van schulden. Die waren me minder bekend. Elk zevende en elk vijftigste jaar (jubeljaar) krijgen mensen met schulden, financieel of als gevolg van een misdaad, collectief vrijspraak. Tenslotte worden er Levitische ‘vrijsteden’ aangeduid, waarheen moordenaars werden verbannen en waar ze veilig waren van bloedwraak of doodstraf. Politieke, financiele, juridische schuld, tot hiertoe is er weinig spiritueels aan de vrijheid.

Dat verandert in de Psalmen. Hier gaat het over bevrijding in relatie tot Jahweh, over berouw en vergiffenis van zonde. Dat lijkt al meer op het christelijke bevrijdingsthema, maar het blijft bij een belofte.

Vrijheid in het Evangelie

Hoe zou dat verdergaan in het Nieuwe Testament?

  • Joh 8 Jesus zeide dan tot de Joden, die in Hem geloofden: Zo gij in mijn woord volhardt, zijt gij waarlijk mijn leerlingen; dan zult gij de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden. Men antwoordde Hem: We zijn kroost van Abraham, en nooit iemands slaaf geweest; hoe kunt Gij dus zeggen: Vrij zult gij worden? Jesus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie zonde doet, is slaaf van de zonde. De slaaf nu blijft niet altijd in huis; de zoon blijft er voor altijd. Zo dus de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn.

Oei, was dat alles? Ja, dat is alles wat er over vrijheid in de vier Evangelies te lezen valt! De term komt nog voor in de lijdensverhalen, waar Pilatus met de joden discussieert over de vrijlating van Jezus of Barrabas, maar dat doet hier niet echt terzake. Vrijheid is voorwaar geen buzzword in het Evangelie! De ene passage bij Johannes is nochtans interessant. Het zijn woorden van Jezus (de enige keer dus dat de Verlosser zelf het woord vrijheid in de mond neemt!) waarmee Hij zijn volgelingen uitlegt dat de vrijheid waarover Hij spreekt niet de oud-testamentische vrijheid is. Jezus belooft een vrijheid die geen politieke, financiele of juridische vrijheid is, maar vrijheid van de zonde!

Vrijheid in de Handelingen en de Brieven van de Apostelen

Hoe zal dit begrip verder evolueren in de handelingen en de brieven van de apostelen?

  • Hand 4 Na hun gebed trilde de plaats, waar ze waren vergaderd; allen werden vervuld van den Heiligen Geest, en spraken vrijmoedig Gods woord.

Dit boek is een buitenbeentje. Het gaat nergens over vrijheid (tenzij waar het gaat over apostelen die weer eens in de gevangenis terechtkomen), maar is wel doordesemd van het woord “vrijmoedig”. Dat is openlijk en spontaan de waarheid zeggen, ook al weet je dat die niet altijd gewaardeerd wordt. In het Grieks heet het parrèsia. Wie toevallig het project Handelingen van bisdom Antwerpen volgt, zal met dit buzzword vast en zeker al in aanraking gekomen zijn. Ook in de aanloop naar een synode is het al parrèsia wat de klok slaat.

Blijkbaar moeten we dus wachten op de brieven van de apostelen om wat meer diepgaand te leren over de christelijke vrijheid!

  • Rom 6 Welnu, God zij dank: gij zijt wel slaven der zonde geweest, maar van harte hebt gij u onderworpen aan die bepaalde vorm van lering, waartoe gij geroepen zijt; en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienaars der gerechtigheid geworden.
  • Rom 7 Zó, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de Wet door het Lichaam van Christus, opdat gij aan een ander zoudt toebehoren: aan Hem, die uit de doden is opgewekt; en opdat we vrucht zouden dragen voor God. Toen we in het vlees waren, werkten in onze ledematen de zondige driften, geprikkeld door de Wet, om vruchten te dragen voor de dood; maar thans zijn we vrij van de Wet, dood voor haar, die ons aan banden legde. Dus moeten we dienen in een nieuwe geest, en niet naar een verouderde letter! Wat besluiten we hieruit? Is de Wet zonde? Zeer zeker niet! Maar toch, ik kende de zonde niet, tenzij door de Wet.
  • Rom 8 Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, doch door de wil van Hem, die ze daaraan onderwierp; maar toch met de hoop, dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid, om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods.
  • 1 Kor 7 Zijt ge geroepen als slaaf, maak u daarover niet bekommerd; maar zo óók gij vrij kunt worden, maak dan liever van de gelegenheid gebruik. Immers een slaaf, die geroepen is in den Heer, is een vrijgelatene van den Heer; zoals een vrije, die geroepen is, de slaaf is van Christus. Duur zijt gij gekocht; weest geen mensen-slaven.
  • 1 Kor 9 Ja, ofschoon ik vrij sta tegenover allen, heb ik me toch tot slaaf van allen gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen.
  • 1 Kor 10 Zo een ongelovige u uitnodigt, en gij wilt er heen gaan, eet dan gerust al wat u wordt voorgezet, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van het geweten. Maar zo iemand u zegt: “dit is offervlees,” eet er dan niet van, zowel om hem, die er u opmerkzaam op maakte, als om gewetenswil. Ik bedoel niet uw eigen geweten, maar dat van den ander. Waarom toch zou mijn vrijheid op zich zelf genomen afgemeten worden naar het geweten van een ander?
  • Gal 2 Welnu, Titus, die bij me was, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden, ofschoon hij heiden was; zelfs niet ten believen van de ingeslopen valse broeders, die onze vrijheid kwamen bespieden, welke we in Christus Jesus bezitten, om ons tot slavernij te brengen.
  • Gal 4 Er staat toch geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin, en één bij de vrije vrouw; maar de zoon der slavin was verwekt naar het vlees, maar die van de vrije vrouw uit kracht der Belofte. Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. […] Broeders, we zijn dus geen slavenkinderen, maar kinderen der vrije vrouw!
  • Gal 5 Zeker broeders, gij zijt tot vrijheid geroepen; maar tot geen vrijheid, die een voorwendsel is voor het vlees. Integendeel, dient elkander uit liefde; want de ganse Wet wordt vervuld in één enkel gebod: “Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf.”
  • Jac Maar hij, die met volle aandacht de volmaakte wet der vrijheid beschouwt, en zich er ook naar gedraagt, —geen vergeetachtig hoorder, maar een man van de daad, —hij zal zalig worden door zijn werken. […] Reine en vlekkeloze vroomheid in de ogen van God en den Vader is deze: zorg te dragen voor wezen en weduwen in hun rampspoed, en zich onbesmet van de wereld te houden. […] Spreekt dus en handelt als mensen, die geoordeeld zullen worden door de wet der vrijheid.
  • 1 Pt 1 En wanneer gij Hem aanroept als Vader, die zonder aanzien des persoons een ieder oordeelt naar zijn werken, brengt dan in vreze de tijd van uw ballingschap door. Want gij weet, dat gij niet met vergankelijk zilver of goud zijt vrijgekocht uit uw ijdele levenswandel, die van uw vaders stamt, maar door het kostbaar Bloed van Christus, als van een Lam zonder vlek of gebrek.
  • 1 Pt 2 Want het is de wil van God, dat gij, door het goede te doen, het onverstand van domme mensen tot zwijgen brengt. Doet het als vrije mannen; niet als mensen, die de vrijheid als een dekmantel der boosheid gebruiken, maar als dienstknechten Gods. Houdt alle mensen in ere, hebt de gemeenschap lief; vreest God, eert den koning! Gij slaven, weest onderdanig aan uw meesters met alle ontzag; niet alleen aan de goede en vriendelijke, maar ook aan de lastige. Want dit is een welgevallige daad, wanneer men uit gewetensplicht tegenover God het leed verdraagt, dat men onverdiend moet lijden.
  • 2 Pt 2 Maar er waren ook valse profeten opgestaan onder het Volk, zoals er ook valse leraars zullen zijn onder ú. Ze zullen verderflijke ketterijen binnensmokkelen, den Meester verloochenen, die hen heeft vrijgekocht, en zich zó een ras verderf berokkenen. […] Vrijheid spiegelen ze hun voor, maar zelf zijn ze slaven van het bederf.

Het is dus overduidelijk door de apostelen, Paulus met name, dat de beginselen van de christelijke idee van vrijheid ontwikkeld is.

Hoe zien de apostelen “vrijheid”?

Opmerkelijk is bijna overal de vrijheid duaal gedefinieerd wordt: vrijheid vereist dienstbaarheid.

vrijgemaakt van de zonde dienaars der gerechtigheid
vrij van de Wet dienen in een nieuwe geest
vrijgelatene van den Heer slaaf van Christus
vrij tegenover allen slaaf van allen
tot vrijheid geroepen dient elkander uit liefde
die met volle aandacht de volmaakte wet der vrijheid beschouwt wordt erdoor geoordeeld
vrijgekocht uit uw ijdele levenswandel brengt dan in vreze de tijd van uw ballingschap door
vrije mannen dienstknechten Gods

De apostelen getuigen van de “werkelijke vrijheid” waarover Christus hen leerde, en die heeft, afgaande op hun brieven, niets niets te maken met politieke, financiele of juridische vrijheid. Op meerdere plaatsen manen de apostelen aan zich niet te verzetten tegen maatschappelijke onderdrukking, omdat die inzet geen “werkelijke vrijheid” kan opleveren: “Zijt ge geroepen als slaaf, maak u daarover niet bekommerd”, “Eert den koning! Gij slaven, weest onderdanig aan uw meesters”. Petrus waarschuwt heel duidelijk voor “valse profeten, die u vrijheid voorspiegelen, maar zelf slaven van het bederf zijn”.

Ook waar er geen expliciete duale definitie van de christelijke vrijheid gemaakt wordt, is er nuance. In 1 Kor 10 zegt Paulus dat de christen, hoewel hij in principe vrij is offervlees te eten, dat niet mag doen indien hij daarmee het geweten van zijn broeders kwetst.

De vrijheid die het geloof ons brengt en waarvan de Bijbel getuigt, heeft dus geen uitstaans met de hedonistische vrijheid die dagdagelijks zo druk becommentarieerd wordt in de media. Behalve misschien als het gaat over de vrijheid van meningsuiting, die erg lijkt op de parrèsia, met dien verstande dat die laatste specifiek van toepassing is op het getuigen van de waarheid.

Wat is de “vrijheid van de Wet”?

De hoofdstukken 7 & 8 uit de Romeinenbrief verdienen extra aandacht, want hier ontwikkelt Paulus zijn begrip van de “vrijheid van de Wet”, de joodse Wet van Mozes, wel te verstaan! Terwijl de apostelen elders redeneren dat een christen zijn vrijheid niet moet zoeken in het ontbinden van menselijke wetten, lijkt Paulus hier te suggereren dat een christen zijn vrijheid wel mag zoeken in het ontbinden van een goddelijke wet. In Rom 7 & 8 zet Paulus een nogal ingewikkelde redenering op. Wie de Wet van Mozes volgt (of beter: probeert te volgen), wordt daardoor geconfronteerd met (of zelfs: geprikkeld tot) zondigheid. Hoewel de Wet goed is, brengt ze geen verlossing, want ze is gericht op het Vlees. De christen aanvaardt door het doopsel in Christus een nieuw leven en is daarom “dood voor de Wet” (hiervoor gebruikt hij een analogie met het huwelijkwet, waarvan men ontbonden wordt bij het overlijden van de echtgenoot). De christen leeft volgens de Wet van de Geest, en de Geest, in tegenstelling tot het Vlees, is gericht op het goede.

In de Galatenbrief past Paulus dit principe concreet toe op het vraagstuk of de joodse Wet van toepassing is op niet-joodse christenen. Hij vermaant de gemeenschap zeer streng dat ze niet moeten luisteren naar de “valse broeders, die onze vrijheid kwamen bespieden, welke we in Christus Jezus bezitten”. Paulus is heel duidelijk over de toepassing van de Wet: “De Wet is dus onze tuchtmeester geweest tot Christus’: opdat we gerechtvaardigd zouden worden door het geloof. Maar nu het geloof is gekomen, nu staan we niet langer onder den tuchtmeester. Want kinderen van God zijt gij allen door het geloof in Christus Jesus; allen hebt gij u met Christus bekleed, omdat gij allen gedoopt zijt tot de gemeenschap met Christus. Thans is er geen jood meer of heiden, geen slaaf en geen vrije, geen man en geen vrouw. Want allen zijt gij één in Christus Jesus; en wanneer gij Christus toebehoort, dan zijt gij ook het kroost van Abraham en erfgenamen volgens Belofte." Welke wet de christenen dan wel moeten volgen: “Zeker broeders, gij zijt tot vrijheid geroepen; maar tot geen vrijheid, die een voorwendsel is voor het vlees. Integendeel, dient elkander uit liefde; want de ganse Wet wordt vervuld in één enkel gebod: ‘Ge zult uw naaste liefhebben als uzelf.'"

De taal en de thematiek van de Galatenbrief is paus Franciscus op het lijf geschreven en hij wijdt er op dit eigenste ogenblik een catechesereeks aan tijdens zijn wekelijkse audiënties! In een volgend artikel overloop ik met wat voorbeelden hoe hij als een alter-Paulus de Kerk op koers naar vrijheid houdt…