Maand: april 2015

Katholiek Kwartetten: Goddelijke Personen en Engelen

Katholiek Kwartetten is een kwartetspel met als thema het katholieke geloof. Het is een klassiek educatief kwartetspel met 52 kaarten (13 kwartetten) met elk hun eigen catechetisch onderwerp, een prent en beknopte informatie. Het is de bedoeling dat het spel later wordt uitgebreid met nieuwe katholieke thema’s en onderwerpen! Ideaal om te gebruiken als tussendoortje bij catechese voor de eerste communie of het vormsel, thuis of op school.

Dit artikel introduceert de eerste twee kwartetten, die handelen over de Goddelijke Drie-eenheid en de Hemelse wezens, de Engelen.

Read More

Sint Jozef

170. Woensdag na de Tweede Zondag na Pasen

Het is misschien moeilijk verbindingslijnen te trekken tussen de liturgie van de paastijd en het Beschermfeest van Sint Jozef , maar wij willen deze dag niet laten voorbijgaan zonder de grote heilige te eren, ons te spiegelen aan zijn voorbeeldig leven en zijn machtige voorspraak in te roepen. Beschermer van de Kerk, patroon van het inwendige leven, van de kuisheid, van de arbeid.

1. Wij willen hem allereerst zien als de goede en rechtvaardige man, zoals het evangelie hem beschrijft. Hij gehoorzaamt en zwijgt: geen woord staat er van hem opgetekend. Hij is de „getrouwe en verstandige dienaar” aan wie God zijn allerkostbaarste panden kon toevertrouwen. Hij is bescheiden in zijn eigenlijk ondergeschikte functie. Want al was hij het hoofd van het heilig huisgezin, in geestelijke werkelijkheid was hij de „minste” van de grote drie. Men kan zelfs zeggen dat hij enigszins buiten het grote mysterie stond dat zich afspeelde tussen het Kind en zijn Moeder. Hij beschut het geheim naar buiten, hij zorgt voor het materiële onderhoud en de veiligheid van het gezin. Maar van hoe voortreffelijk gehalte moet zijn deugd zijn geweest dat God hem in handen stelde het leven van het Kind waaraan het heil der wereld hing en de kuisheid der Maagd! Welk een rechtschapen wijsheid, welke volmaakte zelfbeheersing en bovenal welk een trouw, onwankelbaar en beproefd als goud! Fidelis servus et prudens : trouw en beleid zijn bij uitstek de eigenschappen van de beheerder. (Een groot voorbeeld is hij voor de priesters aan wie de allerkostbaarste schatten worden toevertrouwd van Jezus’ lichaam in de eucharistie en van zijn mystiek lichaam, de Kerk.)

2. Maar wij mogen niet denken dat hij naar de geest vreemd was aan Jezus en Maria. Hij moet zich aan Maria geestelijk verwant hebben gevoeld, in gelijke gerichtheid van vroomheid en idealen. Hoe zou de allerzuiverste, die het vaste voornemen koesterde de maagdelijkheid te bewaren, er anders in hebben toegestemd een huwelijk met hem aan te gaan? Wij moeten ons Sint Jozef voorstellen: hoe hij rustig en nijver arbeidt in de werkwinkel van Nazaret, hoe zijn leven vreedzaam en tevreden verloopt in de nabijheid van Jezus en Maria, hoe over al zijn doen en laten de stilte en sterke glans ligt van een liefde die de aarde voordien nooit had gekend. Het is geen wonder dat Teresia van Avila hem een grote verering toedroeg en hem aanriep als de beschermer en het toonbeeld der beschouwende zielen. Zoals hij te Nazaret door zijn arbeid en zorg het hemelse leven van Maria en Jezus mogelijk maakte en daarin zelf mocht delen, zo regelt hij ook nu door zijn voorspraak de tijdelijke omstandigheden van de Kerk en van de afzonderlijke zielen, opdat het „ene noodzakelijke” voortgang kan vinden.

3. Hij was niet alleen trouwe dienaar maar ook waarlijk vriend van God, want ook hij werd beproefd in het liefste wat hij bezat. Ook hem trof het lijden in het diepste van zijn ziel (dat is de algemene wet der vrienden Gods waaraan ook de Heer zelf en zijn gezegende Moeder zich hebben onderworpen). Kunnen wij ons iets zuiverders en teerders denken dan de verhouding van Sint Jozef tot zijn Bruid? Wat kon er in zijn leven vergeleken worden met de hoogachting en de liefde die hij Maria toedroeg? En juist hierin heeft God hem beproefd, toen Maria in de tijd van hun verloving in gezegende staat bleek te verkeren en het hoge geheim van haar zwangerschap hem nog niet bekend was. Ook tegenover haar bruidegom had de heilige Maagd over dit mysterie gezwegen, alles overlatend aan God. Ook Jozef zwijgt en hij komt tot een besluit dat voor Maria zo fijngevoelig mogelijk en voor hem zelf niet minder dan verschrikkelijk moet zijn geweest. Hij wil haar „wegzenden” , de banden die tussen hen bestaan doorsnijden, haar geheel vrijlaten, — en hij wil dat „heimelijk” doen om haar eer te sparen. Maar dan grijpt God in: het offer van de wil was Hem genoeg, zoals eertijds bij Abraham . Hij zendt zijn engel om aan zijn trouwe dienaar het geheim te openbaren dat ook hem gelukkig zal maken.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De kennis van Jezus II

169. Dinsdag na de Tweede Zondag na Pasen

De kennis van Jezus (die immers liefde is) gaat alle kennis te boven ( Eph. 3, 19 ). Zij gaat alles te boven ( Phil. 3, 8 ). Zij is het eeuwige leven ( Joh. 17, 3 ). Zij is het kenmerk van de schapen van Christus’ kudde, — tezamen met de volgzaamheid. Maar wie zou aarzelen zijn Herder te volgen overal waarheen Hij gaat, indien hij Hem kent zoals Christus de Vader kent?

Hij is ons voorgegaan in de dood, de vrijwillige dood uit liefde. Hij heeft van alles afstand gedaan. Hij werd de graankorrel die in de aarde viel en stierf. De Herder en Opzichter onzer zielen werd het Lam dat ter slachtbank zich liet leiden. Het Lam verloste de schapen. In het epistel van de Zondag ( 1 Petr. 2, 21-25 ) wordt ons, midden in de paastijd, het voorbeeld van de lijdende Christus voor ogen gesteld. Hij is ons in alles gelijk geworden behalve in de zonde. Wij moeten Hem nu gelijkvormig worden door die liefdevolle kennis die ons met Hem verenigt en herschept naar zijn beeld. Die alles overtreffende en alle obstakels triomfantelijk overwinnende kennis van Jezus bestaat, volgens de apostel, in een ervaren van de kracht van zijn verrijzenis en van de gemeenschap met zijn smarten en zijn dood ( Phil. 3, 10 ). Zo zijn er twee kanten aan de ware kennis van Jezus, maar die twee aspecten bestaan niet naast elkaar, zij doordringen elkander, zij bestaan in één. Wie Jezus kent op de wijze waarop de minnaar kent, is daarom zalig en ellendig tevens, want hij zal Jezus’ sterven ervaren en tegelijk begint in zo iemand de kracht (de onmetelijke) van Christus’ verheerlijking te werken. De kennis van de Heer onthult hem immers mèt het vermoeden van de onuitsprekelijke glorie, dat gelukkig maakt, de ellende van zichzelf en doet hem de zin der geschapen dingen doorzien. En deze kennis is smartelijk, want zij moet de mens genezen van alle zelfbehagen en alle gehechtheid buiten God om. Zonder „sterven” is dit onmogelijk. Wat niet gestorven is en herrezen (maar tot een ander leven), kan niet bestaan voor Gods aanschijn.

1. Daarom ook is deze kennis zo zij waarachtig is, altijd werkdadig . „Alles ben ik gaan beschouwen als verlies om de alles overtreffende kennis van mijnen Heer Jezus Christus” ( Phil. 3, 8 ). Zulk een beschouwing blijft geen theorie, maar wordt omgezet in het leven. Anders was zij zelfbedrog. Juist omdat de mens evenals Christus begint te sterven aan de zonde en te leven voor God, is hij in staat de Heer te kennen met die kennis die liefde inhoudt en tot de eenheid leidt. Want gelijkgeaardheid is de grondslag van dit smaken hoe zoet de Heer is, — en zij is er tevens het resultaat van.

2. De echte kennis des Heren schept de gelijkvormigheid met Christus. Hij is ons enig en volmaakt model, het beeld Gods, waarnaar wij zijn geschapen en herschapen en waarop een christelijk leven ons steeds sterker doet gelijken. In dit licht moeten wij ook de navolging der heiligen beschouwen. De Kerk, ook hierin door Christus’ Geest geleid, plaatst ons hun voorbeeld voor ogen. Doch wij moeten dit altijd zien als een bijzondere en gedeeltelijke ontvouwing van het éne evenbeeld, dat de Heer is. De enige, die wij in alles veilig volgen kunnen, is Christus. De heiligen hebben menigmaal een zeer bijzondere roeping ontvangen, die niet in alle onderdelen als een algemene norm kan gelden. Onze enige norm is de Heer. God heeft ons de heiligen geschonken als wegwijzers, die onze zwakheid telkens opnieuw herinneren aan onze Herder, als sterren, die al hun licht ontvangen van die enige zon des heils.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De kennis van Jezus I

168. Maandag na de Tweede Zondag na Pasen

Wij moeten noodzakelijk terugkomen op de woorden uit het evangelie van de Zondag: „Ik ben de goede Herder en Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader” ( Joh. 10, 14 ). Deze woorden van onze Heer, zo uiterst eenvoudig in hun formulering, zeggen de diepste dingen van het christendom. Jezus beschrijft daarin de verhouding die er bestaat tussen de Herder en zijn schapen, — als wij dit ten minste „beschrijven” kunnen noemen. En wij zouden misschien ook beter spreken van de verhouding die er tussen Jezus en de zijnen moet bestaan. Want wél zijn wij gewoon te denken dat ieder christen die in staat van genade leeft tot Christus’ kudde behoort. Maar van hoevelen geldt dat zij Jezus kennen zoals Hij de Vader kent? Dit kennen van de Heer, op zulk een wijze, blijft bij veruit de meesten latent, een schone mogelijkheid die nooit verwezenlijkt wordt, een niet vervulde belofte, zoals bloesems die verdorren en verschrompelen zonder vrucht te zetten. Dit zijn dingen die het hart met droefheid vervullen: te bedenken hoe de tijd van dit leven die onherroepelijk voorbijsnelt van deze goddelijke kansen vol is en hoe zelden de genade in een christenmens tot rijpheid komt.

Want de mogelijkheid dat wij gaan behoren tot Christus’ kudde in de diepe zin van het woord, — op de wijze die Hij als ideale werkelijkheid voor ieder onzer in de liefde van zijn Hart verborgen en gereed houdt, is de goddelijke kans van elk leven. Zulk een kans te verspelen of zelfs maar ten halve te benutten is oorzaak van grote droefheid, — voor Jezus’ mensenhart in de dagen van zijn vlees en voor onszelf, wanneer ons eenmaal de ogen opengaan voor de werkelijkheid van God — en geve de Heer dat dit geschiedt in de dagen van ons sterfelijk leven. Sunt lacrimae rerum : er zijn dingen die wenen, als geobjectiveerde smart, een tragisch zijn dat bestaan kan vóór elk bewustzijn (maar het bewustzijn volgt eenmaal onontkoombaar), zoals een kindje dat sterft en niet weet wat er gebeurt.

1. Want beseffen wij wat wij zo gemakkelijk prijsgeven voor allerlei schijn van goed? Ach, dit kennen van Jezus en door Hem gekend worden: wie zal er de heerlijkheid van vermogen te beschrijven? Wij kunnen het nauwelijks aanduiden. Geloof toch niet dat het behoort tot een min of meer sentimentele of idealistische orde van dingen en geloof óók niet dat het iets is wat gemakkelijk is of ons aangename gevoelens bezorgt. Jezus kennen een weinig zoals Hij de Vader kent (onze kleingelovigheid meent toch dit „een weinig” aan zijn woorden te moeten toevoegen) betekent: zichzelf ontledigen van alle zelfzucht en van alle zelfbedrog, zichzelf zien zoals men is en aldus zichzelf liefdevol aanvaarden. Het betekent, dat wij alle mensen en alle dingen met Jezus’ ogen gaan beschouwen. Dat wij daarom alles en allen liefhebben met de liefde, die geen eigendom zoekt en in de Heer onmetelijk rijk is, „niets hebbend en toch alles bezittend” ( 2 Kor. 6, 10 ). Het betekent, dat wij, na eenmaal onszelf met onze gebreken en begrenzingen te hebben aanvaard, de ogen sluiten voor onszelf om ze te richten op Hem alleen. En, eenzaam en gemeenzaam, gaande door het leven, dat ons vreemd is en vertrouwd tevens, diep en innig en eigenlijk onverliesbaar gelukkig te worden door Hem. Door de zekerheid dat Hij ons kent en dat wij beginnen Hem te kennen. Dit geluk is volkomen verenigbaar met smart en eenzaamheid. Het is hier zelfs onbestaanbaar zonder een gelijktijdigheid van smart die een vagevuur op aarde moet zijn. En deze van liefde en van onbegrijpelijk verlangen doortrokken kennis van de Heer bestaat niet in een rijk gevarieerd of veelkleurig, beeldrijk on in scherpe begrippen omlijnd weten. Zij is meestal begraven in de duisternis en de loden leegte van ons hart. Er zijn geen woorden voor dan zo’n enkel woord als God of Liefde. Het is alleen maar een weet hebben van Hem, een zeker zijn van Hem, een geheel steunen op Hem. Het is waarachtig het eeuwige leven door zijn genade geplant in de gebrokenheid van ons aardse zijn, een twee-eenheid van tegenstrijdigheden die zijn macht alleen kan bewerken en in stand houden.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De goede Herder

167. Tweede Zondag na Pasen

„Ik ben de goede Herder: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Ik ben de goede Herder en Ik ken mijn schapen en de mijnen kennen Mij, alleluja” (antifoon van benedictus en 1ste vespers, vgl. het evangelie). Men kan in het wederom zeer schone en klassieke misformulier drie overheersende gedachten onderscheiden.

1. De goede Herder is de Heiland : Hij is degene die leven en heil schenkt aan zijn schapen, in overvloed. Dit is ook de hoofdidee van het evangelie op zichzelf genomen, van datgene wat wij de gelijkenis van de goede Herder plegen te noemen. Christendom betekent allereerst: heil in Christus, redding van de dood en volheid van leven; en de Kerk bezit en schenkt dit Christus-heil in haar mysterieviering. Dat dit de eerste en voornaamste zin is van het geliefde Goede-Herder-beeld, blijkt onder andere zeer duidelijk uit te boven aangehaalde antifoon waar immers op de uitspraak „Ik ben de goede Herder” de in de mis en de rest van het officie niet voorkomende woorden volgen: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven” ( Joh. 13, 6 ), — als daarmee op één lijn staande, als uitdrukkende dezelfde waarheid: Christus is het heil. Dit heil is goddelijk heil en dit leven „eeuwig leven” , uit zijn aard onvergankelijk en uit de aard van ons bestaan in deze wereld nog in Christus verborgen leven. Het uit zich in vele daden, maar de kern is onzichtbaar, ook voor ons die geloven. Het geloof immers staat tegenover het zien en wij kennen slechts in beelden en afschaduwingen, in sacramentele zinnebeelden, werkdadige symbolen van ons heil, aan de Kerk toevertrouwd.

2. Jezus is Heiland door zijn dood en verheerlijking . Beide horen tezamen als het grote mysterie dat ons heil bewerkte. „De goede Herder geeft zijn leven voor zijn schapen” , — en dáárom bezitten zij het leven in overvloed. Want de Gestorvene is verrezen en deelt ons zijn Geest mede. Daarom ook blijft de Kerk midden in de paastijd de dood des Heren gedenken (zoals elke mis daarvan herdenking en tegenwoordigstelling is): „Christus heeft in zijn lichaam onze zonden op het kruishout gedragen opdat wij aan de zonde gestorven voor de gerechtigheid zouden leven; door zijn striemen zijn wij genezen” (epistel).

En de paasprefatie zingt: „Hij is het ware Lam dat de zonden der wereld heeft weggenomen, die door zijn dood onze dood vernietigde en het leven herstelde door zijn verrijzenis” . Jezus’ kruisdood is niet zozeer mysterie van droefheid en verschrikking als wel grondslag van ons heil en reden van vreugde: „God die door de nederigheid van uw Zoon de gevallen wereld hebt opgericht, schenk uw gelovigen eeuwigdurende blijdschap …” (oratie)

3. Hoe worden de christenen in dit heil deelachtig? Door het geloof in Jezus. Maar dan moeten wij geloof verstaan in de volle zin die het vierde evangelie daaraan toekent: als de verhouding die er bestaat tussen de goede Herder en zijn schapen, een wederkerig kennen doordrongen van liefde. „Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader” (evangelie). De ideale, zeggen wij liever, de werkelijke verhouding van Jezus en de christen, het hele bestaan van de christen als zodanig, is niets anders dan een nabootsing, een beeld van de verhouding tussen Vader en Zoon, van het innerlijke geheim van God zelf. Johannes zegt het hier en op andere plaatsen ( 6, 57 ; 17, 11. 21 enz. ).

Jezus geeft zijn leven voor zijn schapen; Hij schenkt hun het eeuwige leven in overvloed. Dit is de „goedheid” van de Herder. Hij is de oneindig goedige Herder, omdat Hij de enige en ware Herder, de enige en ware Heiland is. Zijn goedheid berust op zijn „echtheid” >; Hij alleen is de ware „Leidsman ten leven” ( Hand. 3, 15 ; 5, 31 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)