Gods lankmoedigheid en onze lauwheid

327. Zaterdag na de Zeventiende Zondag na Pinksteren

„Zie, reeds drie jaar kom ik aan deze vijgeboom vruchten zoeken en vind er geen” (Lk.13, 7; evangelie van de Quatertemper-zaterdag van September).

1. God die ons in zijn Kerk met genaden overlaadt, eist van ons dat deze door onze inspanning vrucht dragen, dat wij woekeren met de geestelijke talenten ons gegeven.Sint Paulus waarschuwt zijn christenen: „Wij vermanen u Gods genade niet vruchteloos te ontvangen” (2 Kor.6, 1). De dienaar die zijn talent renteloos in de grond had gestopt, werd niet alleen berispt maar ook bestraft, en in de gelijkenis van heden dreigt de Heer de onvruchtbare vijgeboom om te laten houwen. De genade wordt ons door de barmhartigheid van God om niet geschonken, doch niet als een kapitaal dat wij kunnen oppotten, maar als een gave om mee te werken en te woekeren. God verwacht niet van ons een negatieve en neutrale behoudzucht, geen vage braafheid of algemeen christelijk fatsoen, maar vruchten, die zeer tastbare, schone, sappige, vitale dingen als bloeiend voorjaarsfruit, krachtig koren en het geurige oofst van de herfst. Zoals de Schrift ze noemt: vruchten van boetvaardigheid en bekering en de heerlijke vruchten van de Geest (liefde, vrede, vreugde …,Gal.5, 22), vruchten ook bestaande in naastenliefde, apostolaat en opbouw van het Lichaam des Heren.

2. Gelijken wij in onze lauwheid en halfslachtigheid niet op die vijgeboom waaraan de Heer reeds lang vergeefs vrucht zocht?„Houw hem om; waartoe put hij de grond nog uit?”— Waartoe put ik de grond uit? Brengt de plaats die ik in de wijngaard des Heren besla zijn nut op? Denk hierbij concreet, niet alleen aan de onschatbare genaden, die elke christen worden geschonken (het woord Gods, de sacramenten, het heilig offer, de verlichtingen en opwekkingen van de Heilige Geest, de voorspraak der Moedermaagd en der heiligen) maar ook en vooral aan uw persoonlijke kansen en mogelijkheden, aan het bijzondere werk van Gods voorzienigheid met u, aan uw roeping en levensstaat, aan uw talenten in engere zin, aan de mogelijkheden die u alleen zijn gegeven.

3. O, God is barmhartig en lankmoedig, ook met de lauwe christen. Nog een jaar zal Hij de vijgeboom sparen en zelfs met bijzondere zorg omringen. Maar Gods lankmoedigheid heeft twee kanten. Zij spaart de mens en biedt hem tijd en gelegenheid zich te bekeren. Maar zij heeft ook een andere zijde, waarvan Paulus spreekt: „Begrijpt ge soms de rijkdom van zijn goedheid, geduld en lankmoedigheid verkeerd en beseft ge niet dat Gods goedheid u aanspoort tot boete? Anders stapelt gij door uw verstoktheid en door uw onboetvaardig hart toorn op voor uzelf tegen de Dag van de toorn en van de komst van het rechtvaardig oordeel Gods” (Rom.2, 4. 5).

Tegenover Gods lankmoedigheid plaatsen wij gewoonlijk ons uitstel van bekering tot een denkbeeldig tijdstip dat „alles beter zal gaan” en wij, naar we menen, eens werkelijk zullen aanpakken. Zelfbedrog en misbruik van Gods gave, de christelijke tijd!„Ziet nauwlettend toe hoe gij u gedraagt: niet als dwazen, maar als wijzen. Benut de gunstige gelegenheid, want de tijden zijn boos” (Eph.5, 15. 16).

Heer, geef ons vruchten voort te brengen van boetvaardigheid en nimmer moede liefde, — want bekering is ons altijd van node, bekering van zonde, bekering van zelfzucht en verslapping tot een vurig christelijk leven dat door uwe voortdurende genade alle mogelijkheden van deze aardse tijd die onherroepelijk voorbijsnelt, benut en uitbuit voor U.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)